Beoordeling van het geschil
3.1 Ingevolge artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, deswege disciplinair worden bestraft.
Ingevolge artikel 16:1:1, tweede lid, van de CAR/UWO omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Ingevolge artikel 8:13 van de CAR/UWO kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag worden verleend.
3.2 Naar vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit (TAR 2001,13).
3.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim haar kan worden toegerekend. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres door een reeks van gedragingen het vertrouwen dat verweerder in haar heeft gesteld ernstig heeft geschaad. Eiseres heeft verklaard dat zij de legesgelden van de maanden oktober tot en met december 2007 op een dag kort voor de kerstdagen van 2007 heeft meegenomen om deze bij de bank te storten. Hiermee heeft zij verzuimd deze legesgelden tijdig te verantwoorden op kasopnameformulieren en deze tijdig bij de bank te deponeren. Volgens verweerder wordt onder "tijdig" verstaan dat het te storten bedrag, na een maandafsluiting middels een maandstaat, uiterlijk halverwege de daarop volgende maand bij de bank dient te zijn bijgeschreven. Dat dit de voorgeschreven werkwijze is heeft eiseres niet weersproken. Voorts heeft eiseres verklaard dat zij, nadat zij tot de ontdekking was gekomen dat zij was vergeten het geld bij de bank te storten en dat het geld nog in het dashboardkastje van haar auto lag, ervoor heeft gekozen het geld te verstoppen in haar huis, ondanks het feit dat het bankgebouw niet ver van haar woning is gelegen en stortingen 24 uur per dag kunnen worden gedaan. Toen eiseres na enige dagen bedacht dat zij het geld niet had gestort, maar dat het nog in huis lag, kon zij dit ondanks lang zoeken niet terugvinden. Deze gang van zaken valt eiseres te verwijten. Vervolgens heeft eiseres haar leidinggevende tijdens een gesprek op 24 januari 2008 - naar achteraf blijkt in strijd met de waarheid - meegedeeld dat zij de kasgelden wél had gestort. Op 25 januari 2008 heeft zij haar teamcoördinator meegedeeld dat zij de stortingen niet had gedaan, aangezien zij het geld niet meer kon terugvinden. Uiteindelijk heeft eiseres de kasgelden op 28 januari 2008 bij de bank gestort. Over de herkomst van het geld heeft zij aanvankelijk verklaard dat zij de legesgelden op zolder had teruggevonden, terwijl zij ter zitting van de rechtbank heeft meegedeeld dat zij eigen spaargeld heeft aangewend om de storting te kunnen doen. Ook deze gang van zaken heeft het vertrouwen dat verweerder in eiseres heeft gesteld ernstig geschaad, met name het voortdurend wijzigingen van haar verklaringen, terwijl deze op geen enkele wijze aannemelijk zijn gemaakt. Daarnaast bestonden naar het oordeel van de rechtbank bij deze reeks van gedragingen verschillende momenten waarop eiseres de keuze had kunnen maken om openheid van zaken te geven. Dat zij dit niet heeft gedaan valt eiseres evenzeer te verwijten. Door bovendien pas een uitleg te geven nadát verweerder haar op 24 januari 2008 ter verantwoording riep en door vervolgens verklaringen af te leggen die in strijd waren met de waarheid heeft eiseres het in haar gestelde vertrouwen ernstig geschaad. Daarbij heeft verweerder terecht de vraag opgeworpen of de verklaring die eiseres in laatste instantie heeft gegeven nu wél op waarheid berust, aangezien één en ander niet valt te verifiëren. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het betoog van eiseres dat zij niet op de hoogte was van een protocol waarin de gang van zaken rond de legesafhandeling is beschreven, niet slaagt. Van eiseres mocht gelet op haar functie verwacht worden dat zij de procesbeschrijving wél kende, te meer nu eiseres heeft verklaard dat zij de werkwijze van haar voorganger heeft overgenomen. Uit de processtukken is gebleken dat deze voorganger conform het protocol heeft gehandeld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de gemeente wellicht financieel niet is benadeeld niet afdoet aan de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder wel degelijk financieel nadeel kan hebben geleden door het mislopen van inkomsten uit rente.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder de gedragingen van eiseres terecht als plichtsverzuim heeft aangemerkt dat aan haar kan worden toegerekend, zodat verweerder bevoegd was eiseres op deze grond disciplinair te straffen.
3.4 Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de opgelegde straf van ongevraagd ontslag onevenredig is te achten, gelet op de aard en ernst van het aan eiseres verweten plichtsverzuim. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat in de betreffende periode haar privé-omstandigheden zodanig waren dat zij daardoor op haar werk niet goed functioneerde. Eiseres doelt hierbij onder meer op de ziekte van haar vader, het feit dat zij in korte tijd 40 kilo was afgevallen - hetgeen tot depressiviteit heeft geleid -, huwelijksproblemen, en het feit dat haar zoon in september 2007 zijn rug had gebroken en dat zij hem in haar eigen vakantie gedurende een maand heeft verzorgd. Bovendien stelt zij aan ADHD te lijden, hetgeen ontkenningsgedrag met zich zou meebrengen. Door deze aandoening heeft zij de problemen met de bewuste legesgelden min of meer voor zich uit geschoven. Eiseres heeft gesteld dat een aantal van deze omstandigheden bij haar leidinggevende bekend was. De rechtbank overweegt dat eiseres deze feiten en omstandigheden niet heeft onderbouwd en dat zij evenmin heeft aangetoond dat haar leidinggevende daarvan op de hoogte was. Wat daar echter ook van zij, de rechtbank neemt bij haar oordeel in aanmerking dat eiseres als medewerker bij de afdeling FJZ/Burgerzaken belast was met een verantwoordelijke taak waarmee grote sommen geld gemoeid waren. Verweerder mag aan een dergelijke functionaris hoge eisen stellen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit, mede gelet op het aanzien van de gemeente en haar ambtenaren. De door eiseres geschetste privé-situatie en de omstandigheden waarin zij zich in de betreffende periode bevond doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het door eiseres begane plichtsverzuim. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat, ondanks het lange dienstverband van eiseres en haar recente bevordering, gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim het disciplinair ontslag niet onevenredig is.
3.5 Gelet op het voorgaande dient beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.