ECLI:NL:RBLEE:2009:BH4400

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
4 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/1479
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 6:13 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen belanghebbende bij bouwvergunning voor strandpaviljoen op Lemsterstrand

Eiser maakte bezwaar tegen de bouwvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland aan een derde had verleend voor een strandpaviljoen met zwemaccommodatie op het Lemsterstrand. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser volgens hen geen belanghebbende was in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank bevestigde deze beoordeling. Eiser woont niet in de directe nabijheid van het project en heeft geen zicht op de locatie. Daarnaast exploiteert hij geen concurrerende horecagelegenheid en deed hij geen inschrijving in de aanbestedingsprocedure, waardoor hij geen concurrent is van de vergunninghouder. Ook eerdere plannen van eiser voor een paviljoen op dezelfde locatie en zijn gesprekken met het college veranderen hier niets aan.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ter onderbouwing van haar oordeel. Het gevoel van misleiding over de toegestane afmetingen van het zwembad en de mogelijke rendabiliteit daarvan is onvoldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde zij dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar is ongegrond verklaard omdat hij geen belanghebbende is.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
procedurenummer: AWB 08/1479
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[naam],
wonende te Lemmer,
eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lemsterland,
verweerder,
gemachtigden: mr. S. Poepjes en G. Kampen, beiden werkzaam bij de gemeente Lemsterland.
Procesverloop
Bij brief van 5 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lemsterland (hierna: het college) eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar van 2 juni 2008 betreffende de toepassing van de Awb.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 26 januari 2009, waarbij eiser in persoon is verschenen en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Motivering
Feiten
1.1 Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft het college aan [X] een reguliere bouwvergunning verstrekt voor het bouwen van een strandpaviljoen met een zwemaccommodatie op het Lemsterstrand, op het perceel plaatselijk bekend Industrieweg 2 te Lemmer, kadastraal bekend LMR01, sectie A, nummer 10220.
1.2 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 september 2007 bezwaar gemaakt bij het college, dat het bezwaarschrift voor advies in handen heeft gesteld van de Vaste commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie).
1.3 In haar advies van 11 januari 2008 heeft de commissie het college geadviseerd het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk te verklaren, omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot verlening van bouwvergunning aan [X].
1.4 Bij het bestreden besluit heeft het college overeenkomstig dit advies het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Het geschil
2.1 In geschil is de vraag of het college terecht en op juiste gronden heeft aangenomen dat eiser geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling van het geschil
3.1 Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en bezwaar zou kunnen maken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit (vgl. JB 2008, 75).
3.2 Vast staat dat eiser niet in de buurt woont van het te bouwen strandpaviljoen met een zwemaccommodatie en hierop geen zicht zal hebben; hij woont aan de andere kant van Lemmer. Gelet hierop heeft het college terecht aangenomen dat de afstand te groot is om een bij de verleende bouwvergunning betrokken belang van eiser te kunnen aannemen.
3.3 Vast staat verder dat eiser geen horecagelegenheid of zwemaccommodatie exploiteert. Eiser kan aldus niet worden beschouwd als concurrent van [X]. Voorts staat vast dat eiser in tegenstelling tot [X] in het kader van de aanbestedingsprocedure geen inschrijving heeft gedaan voor het onderhavige project. Het project kon daarom niet aan eiser gegund worden en evenmin kon eiser (toen nog) in aanmerking komen voor een bouwvergunning. Eiser en [X] kunnen dus niet worden beschouwd als concurrenten en/of initiatiefnemers van elkaar uitsluitende projecten. Dat eiser, zoals hij in zijn bij brief van 12 januari 2009 ingediende pleitnota heeft uiteengezet, vanaf 1995 plannen heeft ontwikkeld voor een strandpaviljoen op dezelfde locatie en hierover regelmatig met het college (dan wel een afzonderlijke wethouder) van gedachten heeft gewisseld, maakt dit niet anders. Op deze grond kan eiser dus evenmin als belanghebbende worden aangemerkt bij de onderhavige bouwvergunning. Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank in de uitspraak van 5 april 2006 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), gepubliceerd in AB 2006, 183. Dat eiser zich misleid voelde op het punt van de toegestane afmetingen van het zwembad en het in zijn ogen daarmee samenhangende al dan niet rendabel kunnen zijn hiervan maakt evenmin -wat hier overigens van zij- dat hij als belanghebbende bij de onderhavige bouwvergunning kan worden aangemerkt.
3.4 De conclusie is dat het college terecht heeft aangenomen dat eiser geen belanghebbende is bij het besluit van 15 augustus 2007. Op die grond heeft het college eisers bezwaarschrift van 18 september 2007 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
3.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en door mrs. E.M. Visser en K.J. de Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2009.
w.g. J.R. Leegsma
w.g. P.G. Wijtsma
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.