Beoordeling van het geschil
3.1 De rechtbank constateert dat verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand voor woordenboeken bij besluit A heeft afgewezen. Eiseres heeft daarop bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder bij besluit B de bijzondere bijstand alsnog toegekend. De rechtbank is van oordeel dat het in de rede had gelegen dat verweerder de toekenning in een beslissing op bezwaar had neergelegd en niet met toepassing van artikel 6:18 Awb in een nieuw dan wel gewijzigd primair besluit. Nu eiseres heeft aangegeven dat met besluit B niet geheel tegemoet is gekomen aan het bezwaar vanwege het feit dat verweerder geen beslissing heeft genomen over het verzoek om proceskostenvergoeding, had verweerder hierover, gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb, in het bestreden besluit alsnog een beslissing moeten nemen. Verweerder heeft eiseres dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen besluit B, hetgeen met zich brengt dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb beoordelen of de proceskosten in bezwaar voor vergoeding in aanmerking komen.
3.2 Voorafgaand aan deze beoordeling dient de rechtbank, eveneens met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb zich een oordeel te vormen over de bezwaren voor zover deze zijn gericht tegen besluit A. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet gesteld dan wel gebleken is dat eiseres nog een belang heeft bij deze beoordeling. Eiseres wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar voor zover deze bezwaren zijn gericht tegen besluit A.
3.3 Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3.4 De rechtbank stelt voorop dat het vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (LJN AT 7365) is dat het naar aanleiding van een daartegen gemaakt bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op één lijn moet worden gesteld met het -met toepassing van artikel 7:11 van de Awb -geheel of gedeeltelijke herroepen van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid. De rechtbank is van oordeel dat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat verweerder met het, met toepassing van artikel 6:18 van de Awb, nemen van besluit B gelijktijdig besluit A heeft ingetrokken dan wel herroepen. De onrechtmatigheid is in deze gelegen in het feit dat verweerder bij de eerste beoordeling van de aanvraag kennelijk niet alle mogelijkheden tot vergoeding heeft onderzocht. Eerst nadat door eiseres bezwaar is ingesteld heeft verweerder beoordeeld of vergoeding in het kader van de reïntegratie mogelijk was. Er is dan ook sprake van onrechtmatigheid die aan verweerder te wijten is.
3.5 De rechtbank dient tenslotte de vraag te beoordelen of de in bezwaar gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. In dit kader wordt voorop gesteld dat namens verweerder ter zitting is erkend dat, indien eiseres geen bezwaar had ingediend, het besluit van 19 juli 2007 in stand was gebleven, zodat geen twijfel bestaat over de vraag of de kosten redelijkerwijs zijn gemaakt. Vervolgens heeft verweerder betwist dat de gemachtigde van eiseres een derde is die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. In afwijking van eerdere uitspraken is de rechtbank thans van oordeel dat W.T. van der Leij als zodanig aangemerkt dient te worden. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat deze gemachtigde een cliëntenbestand van 30 tot 50 cliënten heeft en van zijn cliënten een vergoeding vraagt. Het verzoek om proceskostenvergoeding had derhalve gehonoreerd dienen te worden.
3.6 Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond zal worden verklaard. Het bestreden besluit zal wegens strijd met de Awb worden vernietigd. De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, waarbij het bezwaar van eiseres voor zover gericht tegen besluit A niet-ontvankelijk wordt verklaard en het bezwaar voor zover gericht tegen besluit B ontvankelijk wordt verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de door eiseres gemaakte kosten van bezwaar, welke forfaitair op € 322,00 zijn vastgesteld.
3.7 Gelet op het bovenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient de gemeente Heerenveen het door eiseres gestorte griffierecht van € 39,00 te vergoeden.