ECLI:NL:RBLEE:2009:BI9917

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
79866 / HA ZA 06-1012
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 134 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek pleidooi wegens procedurele vertraging en gebrek aan nieuwe feiten

In deze civiele zaak heeft de curator bezwaar gemaakt tegen het verzoek van gedaagden om pleidooi te mogen voeren. De curator stelde dat gedaagden de procedure opzettelijk vertraagden door telkens pas na afronding van de procedure tegen één gedaagde het verstek van de volgende gedaagde te zuiveren. De rechtbank constateerde dat de juridische en feitelijke stellingen van de verschillende gedaagden vrijwel identiek waren en dat er geen nieuwe feiten of juridische kwesties waren ingebracht.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 134 lid 2 Rv Pro geen nieuwe dag voor pleidooi wordt bepaald indien eerdere pleidooien niet hebben plaatsgevonden, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. Gedaagden hadden geen bijzondere omstandigheden aangevoerd en de rechtbank zag ook geen aanleiding om hiervan uit te gaan. Het verzoek om pleidooi werd daarom afgewezen.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat gedaagden de grenzen van de goede procesorde hadden bereikt door de procedure onnodig te verlengen. Het toestaan van het pleidooiverzoek zou deze grenzen overschrijden. De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie dat klemmende redenen nodig zijn om een pleidooi te weigeren, en vond dat het ontbreken van bijzondere omstandigheden en de onaanvaardbare vertraging elk afzonderlijk een dergelijke reden vormden.

De rechtbank bepaalde dat geen gelegenheid tot pleidooi wordt gegeven, verwees de zaak naar de rol van 5 augustus 2009 voor vonnis en hield verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Verzoek om pleidooi wordt afgewezen wegens procedurele vertraging en gebrek aan nieuwe feiten.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 79866 / HA ZA 06-1012
Vonnis van 24 juni 2009
in de zaak van
RAYMOND JEAN LÉON GUSTENHOVEN
wonende te Sneek
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschappen FanoFineFood B.V. te Oosterwolde, Asia Choice B.V. te Oosterwolde, Profood B.V. te Oldenzaal en Algemene Broodjescentrale B.V. te Rotterdam,
eiser,
advocaat mr. R. Bremer,
tegen
1. [a],
wonende te [werknemer],
2. [b],
wonende te [woonplaats],
3. [c],
wonende te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat mr. P. Tuinman.
Eiser zal hierna als de curator worden aangeduid en gedaagden gezamenlijk als [a] c.s., of ieder apart als [a], [b] en [c].
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de verstekverlening jegens gedaagden
- de zuivering van het verstek t.a.v. [b]
- de conclusie van antwoord zijdens [b]
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek zijdens [b]
- het pleidooiverzoek van [b]
- de dagbepaling pleidooi: 28 februari 2008
- het verzoek zijdens [b] het pleidooi af te gelasten
- de zuivering van het verstek t.a.v. [c]
- de conclusie van antwoord zijdens [c]
- de akte strekkende tot schorsing van eiser sub 1. Mr. J.B. Dijkema
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek zijdens [c]
- de zuivering van het verstek t.a.v. [a]
- de conclusie van antwoord zijdens [a]
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek zijdens [a]
- het pleidooiverzoek zijdens [a] c.s.
- de akte uitlating pleidooiverzoek zijdens de curator.
1.2. Waar oorspronkelijk ook mr. J.B. Dijkema in zijn functie van curator als eiser optrad, is dat na de akte strekkende tot schorsing d.d. 4 juni 2008 niet langer het geval, zodat de curator sindsdien als enige eiser is overgebleven.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
2.1. [a] c.s. hebben pleidooi gevraagd. Zij motiveren het pleidooiverzoek door te verwijzen naar het eerdere pleidooiverzoek en te stellen dat het een zeer omvangrijke zaak betreft met complexe juridische problematiek, die toelichting behoeft door middel van pleidooi.
2.2. De curator maakt bezwaar tegen het pleidooiverzoek. Hij is van mening dat gedaagden de procedure op alle mogelijke manieren hebben vertraagd door telkens pas wanneer de procedure tegen één gedaagde was uitgeprocedeerd het verstek van de volgende gedaagde te zuiveren. Daarnaast overtuigt het inhoudelijke argument voor het pleidooiverzoek de curator niet. De gestelde juridische complexiteit blijkt niet uit de - nagenoeg identieke - processtukken van de verschillende gedaagden. Ook uit het nu ingediende pleidooiverzoek blijkt niet van nieuwe feiten of juridische stellingnames. Voorts is er aan de kant van gedaagden eerder al afgezien van een reeds bepaald pleidooi.
2.3. De rechtbank oordeelt als volgt. Voorop gesteld moet worden dat in deze zaak eerder pleidooi is gevraagd en bepaald. Op verzoek van [b] heeft dit pleidooi niet plaatsgevonden toen het verstek van [c] gezuiverd werd. Vervolgens heeft eerst [c] en daarna, na zuivering van zijn verstek, ook [a] geantwoord en gedupliceerd, nadat de curator telkens had gerepliceerd. Op grond van artikel 134 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt behoudens bijzondere omstandigheden geen nieuwe dag voor pleidooi bepaald indien de pleidooien op de bepaalde dag niet plaatsvinden. Hoewel het pleidooi nu namens alle drie gedaagden wordt gevraagd, waar het eerdere verzoek door [b] als enige verschenen gedaagde was gedaan, zal de rechtbank geen nieuwe dag voor pleidooi bepalen. Immers: alle drie gedaagden hebben dezelfde advocaat en de verschillende conclusies van antwoord en dupliek zijn telkens volgens hetzelfde stramien opgezet en - behoudens enige aanvullingen en wijzigingen - vaak woordelijk eensluidend, zodat de rechtbank het er met de curator voor houdt dat de wijze waarop gedaagden telkens het verstek hebben gezuiverd met name is ingegeven om de procedure te vertragen. Er zijn immers in de loop van de procedure geen nieuwe feitelijkheden of juridische kwesties aan de orde gesteld, hoewel de verschillende gedaagden daartoe wel in de gelegenheid waren. [a] c.s. hebben bij hun pleidooiverzoek ook overigens geen bijzondere omstandigheden gesteld als bedoeld in artikel 134 lid 2 Rv Pro, en van dergelijke omstandigheden is evenmin gebleken, zodat de rechtbank geen gronden aanwezig acht om een nieuwe datum voor pleidooi te bepalen.
2.4. De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat gedaagden gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden die de wet biedt om in een later stadium van de procedure het verstek te zuiveren. Nu zij de procedure echter onnodig hebben verlengd door telkens het verstek van de volgende gedaagde pas te zuiveren als de procedure in staat van wijzen kwam, hebben gedaagden de grenzen van de goede procesorde verkend en, naar het oordeel van de rechtbank, bereikt. Als de rechtbank nu het pleidooiverzoek zou toewijzen, zouden deze grenzen worden overschreden.
2.5. Volgens vaste jurisprudentie (HR 15-11-2002, NJ 2004, 2) moeten klemmende redenen zijn aangevoerd, wil een verzoek om pleidooi kunnen worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat zowel het niet stellen van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een nieuwe pleidooidatum zou moeten worden vastgesteld als de onaanvaardbare vertraging die het toestaan van dit pleidooiverzoek opnieuw voor de procedure zou opleveren, een klemmende reden oplevert. Elk van beide redenen kan zelfstandig het oordeel dragen dat geen pleidooi zal worden toegestaan. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. bepaalt dat geen gelegenheid wordt gegeven voor pleidooien,
3.2. verwijst de zaak naar de rol van 5 augustus 2009 voor vonnis,
3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.E. Geerlings, rolrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.?