ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ8431

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/2075
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 WVW 1994Art. 8:67 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen onderzoek rijgeschiktheid na EMA-deelname

De rechtbank Leeuwarden behandelde op 23 september 2009 het verzoek van [X] tegen het besluit van het CBR van 3 juli 2009, waarin hij werd opgedragen zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Dit volgde op eerdere overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 en deelname aan een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA).

Het geschil betrof de uitleg van artikel 8 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, met name het moment van terugkijken naar de 'afgelopen vijf jaar' voor contra-indicaties bij het opleggen van een EMA. Het CBR stelde dat vanaf het moment van het besluit wordt teruggekeken, en dat [X] door eerdere EMA-deelname niet opnieuw in aanmerking komt voor een EMA, maar wel voor een onderzoek rijgeschiktheid.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was maar dat het CBR terecht had gehandeld. De EMA was reeds met goed gevolg afgerond en de Regeling biedt geen ander peilmoment dan het moment van het besluit. Daarom was het opleggen van het onderzoek naar rijgeschiktheid gerechtvaardigd en bestond geen aanleiding voor een voorlopige voorziening.

De rechtbank wees het verzoek af en bepaalde dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep openstaat.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen het CBR-besluit tot onderzoek rijgeschiktheid is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
procedurenummer: AWB 09/2075
proces-verbaal mondelinge uitspraak van 23 september 2009 op grond van artikel 8:67 en Pro artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
inzake het geding tussen
[naam],
wonende te [woonplaats],
verzoeker (hierna: [X]),
gemachtigde: mr. T. Akkerman, advocaat te Joure,
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,
verweerder (hierna: het CBR).
Bestreden besluit
Het besluit van 3 juli 2009, waarbij het CBR [X] heeft opgedragen zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
Zitting
Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 september 2009, waarbij [X] is verschenen bij zijn gemachtigde. Het CBR is met kennisgeving niet verschenen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Motivering
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [X] te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het onderzoek vindt immers plaats op 2 oktober 2009. Bovendien dient hij in verband hiermee vóór 25 september 2009 bloed af te laten nemen. Voor zover de beoordeling van het verzoek mee brengt dat het geschil in de hoofdzaak (het bezwaarschrift tegen het bestreden besluit) wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond verklaard zal moeten worden.
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) bepaalt dat het CBR besluit tot oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) indien betrokkene binnen een periode van vijf jaar meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 mg/l, respectievelijk 0,8 ‰. Artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling bepaalt dat betrokkene niet in aanmerking komt voor de EMA indien hij de afgelopen vijf jaar reeds eerder aan de EMA heeft deelgenomen. In de toelichting op de Regeling, zoals geciteerd in het verweerschrift, is de achterliggende gedachte voor het opnemen van contra-indicaties voor het opleggen van een EMA uiteengezet. Indien zich een contra-indicatie voordoet, heeft het opleggen van een EMA onvoldoende zin, aldus de toelichting. Het CBR is ten aanzien van [X] ook van opvatting dat het opleggen van een EMA onvoldoende zin heeft. Daarom heeft het CBR met toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling besloten dat [X] zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.
Uit het proces-verbaal van 30 juni 2009 blijkt dat bij [X] op 27 april 2009 een adem- of bloedalcoholgehalte van 300 ug/l is geconstateerd. Op 3 mei 2008 is bij hem een adem- of bloedalcoholgehalte van 725 ug/l geconstateerd. Tenslotte blijkt dat bij [X] op 11 april 2008 een adem- of bloedalcoholgehalte van 700 ug/l is geconstateerd. Hieruit volgt dat het CBR in beginsel gehouden was aan [X] een EMA op te leggen. Uit de stukken blijkt echter dat hij reeds in mei 2009 met goed gevolg heeft deelgenomen aan een EMA. Gelet hierop heeft het CBR terecht gesteld dat [X] niet (nog eens) in aanmerking komt voor een EMA en zich terecht gehouden geacht hem op te dragen zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Dat [X] ten tijde van zijn aanhouding op 27 april 2009 de EMA nog niet had afgerond, brengt niet mee dat het CBR zich niet gehouden mocht achten hem op te dragen zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Ten tijde van het bestreden besluit had [X] immers de EMA afgerond. De leden 1 en 2 onder c van artikel 8 van Pro de Regeling dienen in hun samenhang ook aldus gelezen te worden dat vanaf het moment waarop het besluit wordt genomen, wordt teruggekeken naar "de afgelopen 5 jaar". Nergens in de Regeling is geregeld dat een ander peilmoment heeft te gelden. De verwachting is dan ook dat het bestreden besluit inhoudelijk in stand zal blijven, zodat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding bestaat. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
De zitting wordt gesloten.
Waarvan proces-verbaal.
w.g. mr. J.R. Leegsma, griffier
w.g. mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter