Beoordeling
3.1 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet zijn degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.
Ingevolge artikel 11, aanhef en onder f, van de Leerplichtwet, zijn voor zover thans van belang, de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen vrijgesteld van de verplichting te zorgen dat de jongere de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt, indien de jongere vanwege de specifieke aard van het beroep van één van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen slechts buiten de schoolvakanties met hen op vakantie kan gaan.
Ingevolge artikel 13a kan een beroep op vrijstelling wegens vakantie van de jongere, bedoeld in artikel 11, onder f, slechts worden gedaan indien het hoofd op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen verlof heeft verleend dat de jongere voor de duur van het verlof de school onderscheidenlijk de instelling niet bezoekt.
3.2 De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder niet gevolgd kan worden in de stelling dat eisers geen procesbelang meer hebben in de onderhavige procedure. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het procesbelang is komen te vervallen nu de beoordeling in deze procedure is beperkt tot de in het verleden liggende periode van 16 tot en met 23 januari 2009. De rechtbank is onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS, 2 maart 2005, LJN: AS8397) van oordeel dat het belang van eisers bij een inhoudelijk oordeel omtrent de verlofaanvraag gelegen is in het feit dat zij dit oordeel kunnen betrekken bij eventuele toekomstige verlofaanvragen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers ook voor januari 2010 een verlof-aanvraag hebben ingediend. Het feit dat eisers tegen de afwijzing van deze aanvraag geen bezwaarschrift hebben ingediend, doet aan het bestaan van een belang bij een beoordeling van de onderhavige zaak niet af.
3.3 In het kader van de beoordeling van de afwijzing van de verlofaanvraag stelt de rechtbank vervolgens voorop dat, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (AbRS, 18 december 1997, LJN: ZF3108), bij de toepassing van artikel 11, aanhef en onder f, van de Leerplichtwet, een restrictieve uitleg wordt voorgestaan. De formulering van genoemd artikellid duidt naar het oordeel van de AbRS op een zeer beperkte categorie van beroepen. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer 1992-1993, 22900, nr. 3, p. 7) dient bij het begrip 'specifieke aard van het beroep' met name gedacht te worden aan "seizoensgebonden werkzaamheden, respectievelijk werkzaamheden in bedrijfstakken die in de zomermaanden een piekdrukte kennen, waardoor het voor het gezin feitelijk onmogelijk is in die periode een vakantie op te nemen. Dat zijn bijvoorbeeld de agrarische sector en de horeca.". De rechtbank acht het redelijk om als uitgangspunt te nemen dat, gelet op de ontwikkelingen in de verschillende voorkomende bedrijfstakken, in veel gevallen de piekdrukte zich niet enkel tot de zomermaanden zal beperken, maar ook voor zal komen in de overige schoolvakanties.
3.4 Uit de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting blijkt dat verweerder, en ook de overige scholen op Terschelling, een zeer terughoudend beleid voeren als het gaat om verzoeken om extra verlof. Enkel in het geval van zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek worden gehonoreerd. Om tegemoet te komen aan de ouders die niet in de reguliere schoolvakanties op vakantie kunnen in verband met hun bedrijf is op Terschelling besloten om eilandervakanties in te stellen. Deze eilandervakanties betreffen de voor- en najaarsvakanties, waarbij de voorjaarsvakantie wordt ingeroosterd buiten de periodes waarin de reguliere voorvakanties vallen en de reguliere najaarsvakantie met een week wordt verlengd. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. Gelet op de ervaringen met de grote aantallen verlofaanvragen buiten de reguliere vakanties is het aannemelijk dat een strikt beleid in het belang van het onderwijs is. Het enkele feit dat sinds het beleid wordt gehanteerd geen verloven meer zijn toegekend, maakt het beleid, naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk. In dit kader acht de rechtbank voorts van belang dat eisers ter zitting hebben aangegeven dat het beleid niet wordt bestreden.
3.5 De vraag die vervolgens aan de orde is, is of de aard van het bedrijf van eisers maakt dat het voor eisers feitelijk onmogelijk is om in één van de vakanties de zaak te sluiten ten behoeve van een gezinsvakantie. De rechtbank is, onder verwijzing naar jurisprudentie van de AbRS (bijvoorbeeld voornoemde uitspraak van 18 december 1997), van oordeel dat omzetcijfers een redelijk inzicht geven in zowel de vraag of sprake is van seizoensgebonden arbeid als de vraag of een vakantie tijdens de reguliere schoolvakanties tot onoverkomelijke bedrijfseconomische problemen zal leiden. Eisers hebben evenwel bestreden dat de door de AbRS gehanteerde restrictieve uitleg, waarbij onoverkomelijke bedrijfseconomische problemen het uitgangspunt zijn, verder beperkt mag worden tot het optreden van omzetverlies. Eisers hebben toegelicht dat de bedrijfseconomische problemen in hun geval gevonden moeten worden in (het niet na kunnen komen van) de verplichtingen die zij aan hun klanten en leveranciers hebben. Eisers hebben in dat kader benadrukt dat gedurende alle vakanties een grote vraag bestaat naar hun producten en diensten, zodat zij het bedrijf tijdens de vakanties (zowel de reguliere als de eilandervakanties) niet kunnen sluiten. De rechtbank stelt voorop dat naar haar oordeel de omzetcijfers in ieder geval een indicatie geven van de verplichtingen die eisers in een bepaalde periode hebben, zodat niet gezegd kan worden dat verweerder ten onrechte waarde aan deze cijfers heeft gehecht. Daarnaast erkent de rechtbank dat sprake kan zijn van verplichtingen richting klanten danwel leveranciers die niet uit de omzetcijfers naar voren komen. Evenwel moet geconcludeerd worden dat eisers niet inzichtelijk hebben gemaakt dat deze verplichtingen zodanig zijn dat daardoor tijdens een reguliere of eilandervakantie op vakantie gaan feitelijk onmogelijk is, in die zin dat dit tot onoverkomelijke bedrijfseconomische problemen zou leiden. De rechtbank stelt vast dat uit de door eisers overgelegde omzetoverzichten en de toelichting ter zitting blijkt dat sprake is van seizoensdrukte in het voorjaar, de zomer en december. Eisers hebben toegelicht dat in alle vakantieperiodes sprake is van drukke werkzaamheden, maar de rechtbank is van oordeel dat deze stelling niet voldoende is onderbouwd, hetgeen wel op de weg van eisers ligt nu de omzetcijfers deze stelling in ieder geval niet ondersteunen. Eisers hebben niet aannemelijk kunnen maken dat hun bedrijf uit het oogpunt van dienstverlening aan hun (vaste) klanten, niet in één vakantie een week zouden kunnen sluiten, dan wel laten beheren door anderen (waarbij niet alle service kan worden verleend). De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat niet gebleken is dat het voor eisers feitelijk onmogelijk is om met het gezin op vakantie te gaan tijdens een reguliere schoolvakantie dan wel eilandervakantie. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid het verzoek van eisers om extra schoolverlof voor hun dochter [naam] in de periode van 16 tot en met 23 januari 2009 af kunnen wijzen.
3.6 Gelet op hetgeen is overwogen dient het beroep van eisers ongegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.