ECLI:NL:RBLEE:2010:BM9822
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Bottenberg-van Ommeren
- Rechtspraak.nl
Vaststelling opeisbaarheid vordering na derdenbeslag op woonboerderij en gevolgen paulianeus handelen
De zaak betreft een geschil tussen de belastingdienst (de Ontvanger) en twee gedaagden over de opeisbaarheid van een geldlening van €50.000 die voortvloeit uit de verdeling van een woonboerderij. De Ontvanger had derdenbeslag gelegd op de woonboerderij van gedaagde [A] vanwege openstaande belastingschulden van gedaagde [B]. [A] diende een verklaring in waarin zij stelde dat zij niets aan [B] verschuldigd was, wat de Ontvanger betwistte.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van [A] onjuist was omdat de geldleningsovereenkomst bepaalt dat de vordering opeisbaar wordt bij beslaglegging op het goed. Zowel executoriaal als conservatoir beslag vallen onder deze bepaling. De verklaring van [B] dat hij geen aanspraak maakt op de vordering werd niet als een vervreemding of afstand in de zin van artikel 475h Rv gezien, maar wel als paulianeus handelen, omdat dit de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger benadeelde.
De rechtbank wees de vordering van de Ontvanger toe en veroordeelde [A] tot betaling van €23.925 plus rente en proceskosten. De rechtbank verwierp het verweer dat de vordering niet opeisbaar zou zijn en dat het beslag onterecht was gelegd. De procedure werd niet aangehouden ondanks verzoek van gedaagden, omdat de Ontvanger aannemelijk had gemaakt dat de aanslagen definitief waren vastgesteld.
Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de vordering van €50.000 opeisbaar is en veroordeelt [A] tot betaling van €23.925 plus rente en proceskosten.