Beoordeling
3.1 De voorzieningenrechter dient allereerst de vraag te beantwoorden of het college bevoegd was tot het opleggen van een bouwstop. Daaromtrent overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
3.2 Het college heeft aan zijn besluit van 2 september 2010 - voor zover hier in geding - ten grondslag gelegd dat voor de twee weegbruggen en de betonconstructie nabij de locatie van de "brandbluspompen" geen bouwvergunning is verleend. Omrin stelt zich op het standpunt dat het college geen bouwstop kon opleggen, omdat voor deze bouwwerken op 18 maart 2009 een bouwvergunning is verleend.
3.3 De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat ter zitting aan de hand van bouwtekeningen duidelijk is geworden dat partijen met de begrippen pompput(ten), pompgebouw(tje), pompkelder, pomphuis(je) en betonconstructie nabij de locatie van de "brandbluspompen" steeds hetzelfde bouwdeel van de REC bedoelen. De voorzieningenrechter zal in het hierna volgende het begrip pomphuis hanteren.
3.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de weegbruggen en het pomphuis zijn begrepen in de aanvraag voor een bouwvergunning voor het oprichten van de REC van 5 november 2007 en zijn vergund bij de bouwvergunning van 18 maart 2009. Daartoe acht de voorzieningenrechter van doorslaggevende betekenis dat de weegbruggen en het pomphuis zijn aangegeven op diverse bij de bouwvergunning behorende en gewaarmerkte stukken. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar de bouwtekening S1 Main Site Lay-Out, waarop de weegbruggen en het pomphuis zijn ingetekend, de rioleringstekening S1 Main Sewer System, waarop de weegbruggen en bluspompen met bijbehorende aansluitingen zijn weergegeven, en de bouwtekeningen S1 building R+B en Waterflow Scheme, waarop detailgegevens van (onder meer) het pomphuis zijn aangegeven. Verder is het pomphuis beschreven in de technische omschrijving revisie 6 onder de nummers 51.03 en 54.02a en is dit bouwdeel blijkens een brief van 12 januari 2009 van de brandweer Friesland meegenomen in de brandveiligheidsbeoordeling van de REC. Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat in de bij de bouwaanvraag gevoegde Bijlage 1: Checklist aanvraag bouwvergunning (hierna: bijlage 1) onder het kopje “Algemene inleiding” onder punt 6 expliciet is opgenomen dat de aanvraag wordt ingediend ten behoeve van de realisatie van het bijbehorende pompgebouwtje aan de noordzijde ten behoeve van de waterhuishouding van het gebouw, terrein en installaties. Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen, is ter zitting komen vast te staan dat hiermee het pomphuis is bedoeld. Voorts weegt de voorzieningenrechter mee dat in dezelfde bijlage is vermeld dat enkel voor een drietal onderdelen van de REC, te weten de portiersloge, de leidingbrug vanaf de installatie en de eventuele bebouwing en installaties op de locatie Frisia, een separate bouwvergunning zal worden aangevraagd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bouwaanvraag ziet op het oprichten van een REC en Omrin onweersproken heeft gesteld dat zowel de weegbruggen als het pomphuis essenti?le onderdelen van deze REC zijn, in die zin dat de REC zonder deze onderdelen niet kan functioneren, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de bouwaanvraag niet mede deze onderdelen omvat.
3.5 In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Voor zover het college betoogt dat de weegbruggen niet uitdrukkelijk zijn genoemd in bijlage 1 bij de bouwaanvraag en daarom niet zijn aangevraagd en vergund, faalt dit betoog. In bijlage 1 onder het kopje "Algemene inleiding" onder punt 7 is opgenomen dat de aanvraag mede ziet op "de bijbehorende equipement op het terrein en op en aan het gebouw, als onderdeel van de gehele installatie". Aangezien geen limitatieve opsomming is gegeven van de bouwdelen van de REC die onder deze omschrijving vallen, brengt een redelijke uitleg hiervan naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat de onderhavige weegbruggen, mede gelet op de aard en omvang daarvan, onder deze omschrijving kunnen worden gebracht. In dit verband neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, zoals hiervoor onder 3.4 is overwogen, de weegbruggen in diverse bij de bouwvergunning behorende stukken zijn opgenomen, essentiële bouwdelen van de REC vormen en dat de weegbruggen in de bouwaanvraag niet zijn benoemd als bouwdelen waarvoor een separate vergunning zal worden aangevraagd.
3.6 Wat dit laatste betreft, merkt de voorzieningenrechter nog op dat hij het college niet kan volgen in zijn standpunt dat hij ervan uit is gegaan dat onder de uitgezonderde portiersloge ook de weegbruggen zijn begrepen, aangezien de weegbruggen en de portiersloge één geheel zouden vormen en als één bouwwerk zouden moeten worden beschouwd. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat Omrin ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de weegbruggen en portiersloge in zowel functioneel als bouwkundig opzicht zelfstandige bouwwerken zijn en dat de portiersloge om budgettaire redenen uit de bouwaanvraag van 5 november 2007 is geschrapt, omdat die portiersloge - anders dan de weegbruggen - geen essentieel onderdeel vormt van de REC. Dat de constructieberekeningen voor de weegbruggen en de portiersloge in één document, genaamd "Statistische berekeningen portiersloge en fundering weegbruggen" van BDG Architecten Ingenieurs Zwolle, zijn neergelegd, brengt niet mee dat sprake is van één bouwwerk, evenmin als de omstandigheid dat dit document als bijlage bij de bouwaanvraag voor de portiersloge van 31 mei 2010 is gevoegd. Ook kan Omrin in dit verband bezwaarlijk worden tegengeworpen dat de weegbruggen worden genoemd in een brief die het college in het kader van de bouwvergunningsprocedure voor de portiersloge aan Omrin heeft gezonden.
3.7 Voor zover het college betoogt dat bij de bouwaanvraag slechts summiere gegevens met betrekking tot de weegbruggen en het pomphuis waren gevoegd, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Nog daargelaten dat het ontbreken van (detail)gegevens van de weegbruggen en het pomphuis bij de bouwaanvraag op zichzelf niet meebrengt dat deze bouwwerken niet zijn vergund, is op grond van het ter zitting verhandelde en de overgelegde gedingstukken genoegzaam aannemelijk geworden dat bij de oprichting van de REC in de praktijk wordt gewerkt op basis van de systematiek van een bouwvergunning op hoofdlijnen, inhoudende dat detailgegevens van bouwdelen eerst in een later stadium (mogen) worden overgelegd. Reeds hierom kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan het ontbreken van (detail)gegevens van de weegbruggen en het pomphuis niet die betekenis worden gehecht, die het college daaraan gehecht wil zien. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat, zo er al nog twijfel mocht bestaan over de reikwijdte van de bouwvergunning, die onduidelijkheid naar zijn oordeel voor rekening en risico van het college komt, aangezien dat ervoor heeft gekozen een bouwvergunning op hoofdlijnen te verlenen en heeft nagelaten in de bouwvergunning zelf te preciseren waarop deze betrekking heeft.
3.8 Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de weegbruggen en het pomphuis bij de bouwvergunning van 18 maart 2009 zijn vergund. Van schending van artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet was dan ook geen sprake. Het college was derhalve niet bevoegd de bouwwerkzaamheden stil te leggen. Ter zitting heeft het college nog betoogd dat het pomphuis wordt gebouwd in afwijking van de op 18 maart 2009 verleende bouwvergunning, zodat mogelijk op deze grond ook een bouwstop kan worden opgelegd. Wat hier ook van zij, nu dit niet ten grondslag is gelegd aan de onderhavige bouwstop, valt dit buiten de omvang van het onderhavige geding.
3.9 De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar geen stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat het bestreden besluit zal worden geschorst op de wijze zoals hierna in het dictum is vermeld. De overige grieven van Omrin kunnen in dit stadium derhalve buiten bespreking blijven.
3.10 Gelet op het bovenstaande en op het bepaalde in de artikelen 8:74, eerste lid, en artikel 8:82, vierde lid, van de Awb dient het college het door Omrin gestorte griffierecht van € 298,00 te vergoeden.
3.11 Met toepassing van de artikelen 8:75, eerste lid, en 8:84, vierde lid, van de Awb veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten worden de proceskosten van Omrin vastgesteld op € 874,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 437,00).