ECLI:NL:RBLEE:2010:BO0344

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
12 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/112
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WwbArt. 36 WwbArt. 54 lid 3 WwbArt. 58 lid 1 WwbArt. 6:13 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en overschrijding vermogen

Eiser ontvangt sinds 1986 bijstand en werd na onderzoek door Sociale Recherche Fryslân geconfronteerd met een vermoeden van bezit van twee woningen en niet gemelde financiële transacties. Verweerder beëindigde de bijstand per 1 augustus 2009 wegens schending van de inlichtingenplicht en overschrijding van het vrij te laten vermogen door mede-eigendom van een woning en nalatenschap.

Eiser betwist dat hij niet heeft gemeld, maar kan dit niet aannemelijk maken. De rechtbank oordeelt dat eiser redelijkerwijs over het vermogen in de woning kan beschikken, bijvoorbeeld via verkoop of hypotheek, ondanks medewerking van zijn zus en huurders.

De rechtbank bevestigt dat de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 4 april 2000 tot 31 juli 2009 terecht zijn. Ook de afwijzing van de langdurigheidstoeslag in 2009 is gegrond wegens overschrijding van het vermogen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en afwijzing van de langdurigheidstoeslag.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
procedurenummer: AWB 10/112
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 oktober 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[naam],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. P.E. van der Werf, advocaat te Burgum,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,
verweerder,
gemachtigde: E. Acda, werkzaam bij verweerders gemeente.
Procesverloop
Bij brieven van 2 december 2009 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluiten op bezwaar van 30 november 2009 betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (hierna: de Wwb). Tegen deze besluiten heeft eiser beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 8 juli 2010. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Motivering
Feiten
1.1 Eiser ontvangt sedert 1986 een bijstandsuitkering van verweerder, laatstelijk een uitkering ingevolge de Wwb, berekend naar de norm voor een alleenstaande.
1.2 Naar aanleiding van een signalering door de afdeling WOZ van de gemeente Sneek, waaruit het vermoeden is ontstaan dat eiser twee huizen in bezit zou hebben ([adres A] en [adres B]) en/of een woning voor huurinkomsten zou exploiteren, heeft de Sociale Recherche Fryslân een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand. In dit kader is dossieronderzoek gedaan, alsmede onderzoek bij de Belastingdienst, bij het Kadaster en bij de gemeente in de Gemeentelijke Basis Administratie. Ook heeft onderzoek plaatsgevonden naar de bankgegevens van eiser en tenslotte zijn eiser, zijn voormalige casemanagers bij de gemeente Sneek en de bewoner van de woning aan [adres A] gehoord.
1.3 Het onderzoek heeft geresulteerd in een rapport van 20 juli 2009. Uit het rapport blijkt onder meer dat eiser vanaf de datum van overlijden van zijn moeder, [naam eisers moeder], op 4 april 2000 mede-eigenaar is van de woning aan [adres A] en dat hij deze woning voor huurinkomsten exploiteerde. Hiervan heeft eiser geen melding gemaakt bij verweerder. Voorts is in het rapport een overzicht opgenomen van diverse niet gemelde financiële transacties en blijkt dat eiser beschikt over een niet bij verweerder bekende bankrekening. Ook komt in het rapport naar voren dat er meerdere kentekenregistraties voor vaartuigen op naam van eiser staan.
1.4 Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft verweerder de Wwb-uitkering van eiser beëindigd (lees: ingetrokken) per 1 augustus 2009, omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en omdat eiser door het overlijden van zijn moeder recht heeft op een deel van de nalatenschap en op uitkering van het hem toekomende erfdeel, waardoor zijn vermogen de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt.
1.5 Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft verweerder de over de periode van 4 april 2000 tot en met 31 juli 2009 aan eiser verleende bijstand ingetrokken, wegens schending van de inlichtingenplicht. Als gevolg hiervan kan verweerder het recht op bijstand niet vaststellen. Daarnaast heeft verweerder de te veel betaalde bijstand over genoemde periode tot een bedrag van € 127.089,58 van eiser teruggevorderd.
1.6 Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft verweerder eisers aanvraag om een langdurigheidstoeslag over 2009 afgewezen, wegens schending van de inlichtingenplicht en wegens overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen.
1.7 Eiser heeft tegen de genoemde besluiten bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn door verweerder bij de bestreden besluiten, overeenkomstig een advies van de sociale kamer van de commissie voor de bezwaarschriften gemeente Sneek, ongegrond verklaard.
Geschil
2.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het overlijden van zijn moeder in april 2000 aan zijn contactpersoon bij de gemeente, [naam contactpersoon], heeft meegedeeld en dat hij aldus wel aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan. Nu verweerder hierop geen actie heeft ondernomen is bij eiser het vertrouwen gewekt dat het overlijden van zijn moeder en het openvallen van haar nalatenschap geen gevolgen zouden hebben voor het recht op bijstand. Eiser stelt voorts dat hij niet redelijkerwijs kan beschikken over het vermogen in de woning aan [adres A], nu zijn zus en mede-eigenaar van de woning weigert haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. Een andere complicerende factor bij de verkoop van de woning is het feit dat de woning bewoond is en de huurders huurbescherming hebben.
2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser wel kan beschikken over zijn vermogen in de woning aan [adres A], bijvoorbeeld door de vestiging van een hypotheek. Verweerder blijft van mening dat eiser niet heeft doorgegeven dat hij na het overlijden van zijn moeder mede-eigenaar is geworden van deze woning en dat hij over meerdere financiële zaken geen inlichtingen heeft verschaft. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.
Beoordeling van het geschil
Intrekking en terugvordering van bijstand
3.1 Verweerder heeft zijn besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 augustus 2009 niet beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, in dit geval 14 augustus 2009. Voorts ligt ter beoordeling voor het besluit tot intrekking van bijstand over de periode van 4 april 2000 tot en met 31 juli 2009, alsmede de terugvordering van verleende bijstand over deze periode.
3.2 Vaststaat dat eiser vanaf april 2000 na het overlijden van zijn moeder mede-eigenaar is van de woning aan [adres A]. De waarde van deze woning, die vrij is van hypotheek, is door verweerder vastgesteld op € 170.000,00, zodat eiser en zijn zus elk aanspraak kunnen maken op € 85.000,00. Eiser heeft deze waarde niet betwist en de rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om niet van de door verweerder vastgestelde waarde uit te gaan. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat de woning een waarde vertegenwoordigt, die hoger is dan de voor eiser geldende vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van Pro de Wwb.
3.3 Naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangenomen dat eiser redelijkerwijs over het vermogen in de woning kan beschikken. Door de woning te verkopen of te bezwaren met een hypothecaire lening kan eiser de beschikking krijgen over middelen om te voorzien in zijn levensonderhoud. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser eventueel via de civiele rechter de medewerking van zijn zus bij de verkoop van de woning kan vorderen. De aanwezigheid van huurders in de woning maakt niet dat de woning niet verkocht zou kunnen worden.
3.4 Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit in de eerste plaats voort dat verweerder de bijstandsuitkering van eiser terecht met ingang van 1 augustus 2009 heeft ingetrokken, wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen.
3.5 Naar het oordeel van de rechtbank is voorts voldoende komen vast te staan dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Verweerder was niet bekend met het overlijden van eisers moeder en met de door eiser verkregen erfenis. Eisers stelling, dat hij hiervan wel mededeling heeft gedaan, acht de rechtbank niet door hem aannemelijk gemaakt. Eiser beschikt niet over schriftelijke stukken waaruit blijkt dat hij zijn contactpersoon, [naam contactpersoon] heeft geïnformeerd en in eisers dossier is hierover door [naam contactpersoon] geen aantekening gemaakt. Daarnaast heeft [naam contactpersoon] tijdens een verhoor bij de Sociale Recherche uitdrukkelijk ontkend een gesprek met eiser te hebben gevoerd over de eigendom van de woning aan [adres A]. Ook heeft eiser niet op andere momenten, bijvoorbeeld na de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder, mededeling gedaan aan verweerder omtrent de eigendom van de woning.
3.6 Daarnaast is voldoende komen vast te staan dat eiser verweerder evenmin op de hoogte heeft gebracht van de huurinkomsten van de woning aan [adres A] en van het bestaan van een bankrekening met nummer [nummer bankrekening]. Op deze bankrekening is in de periode vanaf 2001 tot en met februari 2009 in totaal een bedrag van ongeveer € 35.000,00 bijgeschreven. Een gedeelte van de bijschrijvingen betreft de huurinkomsten voor de woning aan [adres A]. Ook is op deze rekening een bedrag van € 9.500,00 gestort met de vermelding "opheffing rekening erven rekening [naam eisers moeder]". Verder is gebleken dat eiser in ieder geval twee boten in bezit heeft, die een bepaalde waarde vertegenwoordigen en dat hij in 2006 een auto verkocht heeft voor € 5.000,00.
3.7 De rechtbank is gelet op alle beschikbare gegevens van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het recht op uitkering in de periode van 4 april 2000 tot en met 31 juli 2009 als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Aan eiser is over de periode van 4 april 2000 tot 31 juli 2009 ten onrechte bijstand toegekend. Verweerder was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd de bijstand over genoemde periode in te trekken.
3.8 In het voorgaande ligt besloten dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb, zodat verweerder bevoegd was de verleende bijstand over de periode van 4 april 2000 tot en met 31 juli 2009 van eiser terug te vorderen.
3.9 Verweerder heeft aangegeven dat op grond van het door hem gevoerde beleid in gevallen van fraude in beginsel altijd tot terugvordering wordt overgegaan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit geval in afwijking van de beleidsregel (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.
3.10 De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de beroepen van eiser tegen de intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering ongegrond zijn.
Afwijzing van de langdurigheidstoeslag
4.1 Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb bepaalt dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro.
4.2 Uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder 3.1. tot en met 3.3. heeft overwogen volgt dat eiser tijdens de toepasselijke referteperiode geacht moet worden te hebben beschikt of redelijkerwijs kon beschikken over vermogen boven de vrijlatingsgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Wwb. Dit betekent dat eiser niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb gestelde eis, zodat het verzoek om een langdurigheidstoeslag over 2009 terecht is afgewezen. Het beroep van eiser is ongegrond.
Proceskosten
5.1 De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en door mrs. A.T. de Kwaasteniet en E. de Witt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2010.
w.g. P.R.M. Poiesz
w.g. P.G. Wijtsma
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.