ECLI:NL:RBLEE:2010:BO0478
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergrijpboete wegens onvoldoende bewijs van (voorwaardelijk) opzet bij niet-aangegeven aanmerkelijk belang
Eiser was directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap waarvan hij in 2003 zijn aandelen verkocht, waarbij hij een aanzienlijk vervreemdingsvoordeel realiseerde. Dit voordeel werd niet vermeld in de door zijn adviseur opgestelde aangifte inkomstenbelasting 2003, die eiser zonder inhoudelijke controle ondertekende. Verweerder legde eiser een vergrijpboete op wegens (voorwaardelijk) opzet op grond van artikel 67d AWR.
Eiser stelde dat hij de adviseur voor deskundig mocht houden en dat hij geen reden had om de aangifte te controleren. Daarnaast had hij geld gereserveerd voor de belastingbetaling, wat wijst op geen intentie tot belastingontduiking. Verweerder voerde aan dat eiser door het blindelings ondertekenen van de aangifte willens en wetens de aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte aanvaardde.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zich bewust was van de onjuistheid en deze bewust heeft aanvaard, mede gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarom is de boete ten onrechte opgelegd. Het beroep wordt gegrond verklaard, de boetebeschikking vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de vergrijpboete wegens onvoldoende bewijs van (voorwaardelijk) opzet en veroordeelt verweerder tot vergoeding van het griffierecht.