ECLI:NL:RBLEE:2011:BP2352

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
14 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
108960/FJ RK 10-1158
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:258 BWArt. 1:259 BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing Bureau Jeugdzorg inzake wijziging hoofdverblijf kinderen

De rechtbank Leeuwarden behandelde het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van Bureau Jeugdzorg Friesland, die het hoofdverblijf van haar kinderen wijzigde naar de vader, vervallen te verklaren. De kinderen waren onder toezicht gesteld vanwege een hevige echtscheidingsstrijd en de stichting had een nieuwe hoofdverblijfregeling opgelegd, waarbij de kinderen slechts één weekend per veertien dagen bij de moeder zouden verblijven.

De moeder was het niet eens met deze wijziging en had een andere regeling voorgesteld tijdens het bemiddelingstraject. De vader stemde in met de aanwijzing. De kinderrechter oordeelde dat een wijziging van het hoofdverblijf van ondertoezichtgestelde kinderen alleen door de rechter kan worden vastgesteld en niet door de uitvoerder van de ondertoezichtstelling via een schriftelijke aanwijzing.

Omdat de stichting met haar aanwijzing feitelijk het hoofdverblijf wijzigde, wat voorbehouden is aan de rechter, werd de aanwijzing vervallen verklaard. De oude situatie herleeft, tenzij ouders anders overeenkomen of de rechtbank anders beslist in een procedure ex artikel 1:253a BW. Hoger beroep tegen deze beslissing is uitgesloten.

Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing van Bureau Jeugdzorg tot wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen is vervallen verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector civiel recht
clusternummer: 8225
zaak-/rekestnummer: 108960 / FJ RK 10-1158
beschikking van de kinderrechter d.d. 14 januari 2011
vervallenverklaring aanwijzing ex art 1:259 BW Pro
inzake
het verzoekschrift van mevrouw [A], de moeder
met betrekking tot
de ondertoezichtstaande minderjarigen:
[X], geboren [in 2003] en
[Y], geboren [in 2000], beiden in [naam gemeente].
De kinderrechter merkt naast de minderjarigen als belanghebbenden aan:
vader: [B], gezag,
moeder: [A], gezag,
de uitvoerster van de ondertoezichtstelling: de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland, hierna te noemen: de stichting.
Procesgang
Bij beschikking van de kinderrechter van 24 februari 2010 is de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen uitgesproken, ingaande 24 februari 2010 tot 24 februari 2011.
De stichting heeft op 30 november 2010 schriftelijk aanwijzingen gegeven betreffende de omgangsregeling met de minderjarigen.
De met het gezag belaste ouder heeft de kinderrechter tijdig verzocht de schriftelijke aanwijzingen van de stichting vervallen te verklaren.
Op 5 januari 2011 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.
Daarbij zijn gehoord:
[A], moeder van de minderjarigen, bijgestaan door mr. H. de Jong;
[B], vader van de minderjarigen;
namens de stichting: de heer P. Fleur.
Motivering
De stichting heeft ouders op 30 november 2010 een schriftelijke aanwijzing gegeven, die er -kort gezegd- op neer komt dat de kinderen voortaan hun hoofdverblijf bij vader hebben en dat zij gedurende 1 weekend per 14 dagen bij moeder verblijven. Deze regeling dient, aldus de stichting, in de plaats te komen van de co-ouderschapregeling die ouders, sinds de echtscheiding in 2007, hebben nageleefd. Deze regeling hield in dat de kinderen van maandag 8.30 uur tot woensdag 12.00 uur bij vader verbleven, van woensdag 12.00 uur tot donderdag 8.30 uur bij moeder, van donderdag 08.30 uur tot vrijdag 12.00 bij vader en vervolgens vanaf vrijdag 12.00 uur tot maandag 08.30 uur weer bij moeder. Onder de co-ouderschapregeling brachten de kinderen derhalve vrijwel al hun vrije tijd bij moeder door. In de nieuwe situatie is dat omgekeerd en komen de kinderen alleen nog gedurende 1 weekend per 14 dagen bij moeder, als ook de helft van de schoolvakanties. Volgens de stichting hanteren ouders zeer verschillende opvoedingsstijlen. Dit maakt dat een co-ouderschap te veel vraagt van de kinderen en dus te belastend voor hen is. Een belangrijke overweging om voor het hoofdverblijf bij vader te kiezen is gelegen in het feit dat de kinderen in de woonplaats van vader naar school gaan. De woonplaats van moeder ligt op 17 kilometer afstand van de school.
De kinderen zijn in februari 2010 onder toezicht gesteld omdat zij, als gevolg van de hevige echtscheidingsstrijd van ouders, ernstig in de knel dreigden te komen. De stichting heeft ouders vervolgens opdracht gegeven om met behulp van kindbemiddeling bij Fier Fryslân tot een regeling te komen waarbij maximaal sprake zou zijn van 1 wisselmoment per week. Ouders zijn hier niet uitgekomen, waarna de stichting door middel van de hiervoor genoemde aanwijzing, de knoop heeft doorgehakt. De aanwijzing is op 23 november 2010 met ouders besproken, op 30 november 2010 op schrift gesteld, op 7 december 2010 met de kinderen besproken en vervolgens met ingang van 12 december 2010 uitgevoerd.
Moeder is het niet eens met de aanwijzing en heeft tijdig een verzoek tot vervallen verklaring ingediend. Moeder vindt het onbegrijpelijk dat zij thans de kinderen nog slechts gedurende 1 weekend per 14 dagen bij zich zal hebben, terwijl de kinderen voorheen al hun vrije tijd bij haar doorbrachten. Moeder had zelf in het bemiddelingstraject een zogenoemde week op, week af regeling voorgesteld. Als zij had geweten dat er een keuze voor een hoofdverblijfplaats zou worden gemaakt dan had zij voorgesteld dat de kinderen hun hoofdverblijf voortaan bij haar zouden hebben.
Vader is het wel met de (hoofdlijn van de) aanwijzing eens. Deze is conform zijn wens en zal de kinderen veel rust en duidelijkheid geven.
De kinderrechter stelt voorop dat de stichting in het kader van de uitvoering van een ondertoezichtstelling op grond van het bepaalde in artikel 1:258 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) aanwijzingen kan geven betreffende de verzorging en de opvoeding van de minderjarige. Een dergelijke aanwijzing kan een beperking van de contacten tussen een ouder en een minderjarige inhouden. Indien echter sprake is van een door de rechter vastgelegde omgangsregeling dan kan deze regeling alleen door de rechter zelf worden gewijzigd en niet door de uitvoerder van de ondertoezichtstelling door middel van een aanwijzing(zie hof Amsterdam 14-11-2006, LJN AZ 5823). Hierbij is van belang dat van een rechterlijke (eind)beslissing betreffende een omgangsregeling steeds hoger beroep mogelijk is. Hoger beroep tegen een beslissing inzake een verzoek tot vervallenverklaring ex artikel 1:259 BW Pro is echter uitgesloten. Naar het oordeel van de kinderrechter is in deze zaak sprake van een nog veel verder strekkende beslissing van de stichting dan het wijzigen van een omgangsregeling. De aanwijzing van de stichting komt immers neer op een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. Temeer nu partijen hun co-ouderschapregeling bij de echtscheiding in een beschikking hebben laten vastleggen, is een wijziging van die regeling -indien partijen hier in onderling overleg niet uitkomen- voorbehouden aan de rechter. Deze procedure is met waarborgen omringd nu de rechter-zonodig- de raad voor de kinderbescherming onderzoek kan laten doen en bovendien hoger beroep tegen de beslissing van de rechter mogelijk is.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aanwijzing vervallen dient te worden verklaard en dat alle overige -inhoudelijke- bezwaren onbesproken kunnen blijven. Nu de kinderechter niet bevoegd is om een nieuwe aanwijzing in de plaats van de vervallen aanwijzing te stellen of deze te wijzigen, zal als gevolg van deze beslissing de oude situatie herleven, tenzij ouders anders overeenkomen, dan wel de rechtbank in een door een van de ouders aanhangig te maken procedure ex artikel 1:253a, anders beslist.
Beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de moeder toe om ten aanzien van de minderjarigen
[X], geboren [in 2003] en [Y], geboren [in 2000], beiden in [naam gemeente] de aanwijzing van de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland d.d. 30 november 2010 vervallen te verklaren.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Dölle, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.
(fn: 354)