ECLI:NL:RBLEE:2011:BR4281
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na flessentrekkerij horeca
De rechtbank Leeuwarden behandelde op 8 juli 2011 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 61.826,79, voortvloeiend uit het medeplegen van flessentrekkerij in een horecazaak. De berekening van het voordeel baseerde de rechtbank op een omzet-inkoop verhouding van 3:1, zoals vastgesteld in een rapport van het Bedrijfschap Horeca en Catering.
De rechtbank stelde vast dat de totale inkoopkosten, inclusief facturen van meerdere leveranciers, ongeveer € 25.043 bedroegen. Daarnaast werden zakelijke kosten van circa € 24.500 en contante betalingen van € 4.260 meegenomen. De omzet werd geraamd op ruim € 75.000, wat resulteerde in een genotend voordeel van € 46.240.
Vervolgens werden de toegekende vorderingen van benadeelde partijen, totaal € 49.148,87, in mindering gebracht op dit voordeel. Omdat dit bedrag hoger was dan het berekende voordeel, stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil en wees de vordering van de officier van justitie af.
De rechtbank benadrukte dat de onderneming als lunchroom werd gekwalificeerd en dat de omzet-inkoop verhouding uit het rapport uit 2007 als uitgangspunt diende. De rechtbank achtte aannemelijk dat de voorraad op het moment van sluiting niet meer voldoende was om de omzet te verklaren en hield rekening met contante betalingen en zakelijke kosten. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij de griffier niet medeondertekende.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af omdat het geschatte voordeel nihil is.