Met vriendelijke groet,
[accountantskantoor]
[A]".
1.6 In zijn hiervoor vermelde aangiften IB/PVV heeft eiser het perceel grond van 1.86.60 hectare, kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [sectie], nummer [kadastraal nummer 1] (zie 1.3) (hierna: het perceel) aangegeven bij zijn belastbaar inkomen uit werk en woning, als aanhorigheid van zijn eigen woning.
1.7 Eisers (definitieve) aanslag IB/PVV 2002 is opgelegd op 23 juni 2004 en eisers (definitieve) aanslag IB/PVV 2004 is opgelegd op 2 maart 2006. Beide aanslagen zijn opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften.
1.8 Verweerder heeft in zijn brief aan de accountant van [BV X] van 27 juli 2005 onder meer het volgende geschreven:
"Betreft
Aangifte vennootschapsbelasting 2003 [BV X]
Geachte heer [A]
Naar aanleiding van de bovengenoemde aangifte en uw brief van 26 mei 2005 vraag ik uw aandacht voor het volgende.
Een B.V. dient op zakelijke grondslag te handelen met haar directeur/groot-aandeelhouder. De zekerheid die in casu verstrekt wordt, een positieve/negatieve hypotheekverklaring past daar in zakelijke verhoudingen niet in. Een dergelijke verklaring is in het zakelijke verkeer ongebruikelijk, zeker gezien de mogelijke hoogte van de rekening-courantschuld die overeengekomen is. Feitelijk is het immers niet meer dan een belofte tot het niet geven van hypothecaire zekerheid aan een derde.
Daarnaast vind ik in de rekening-courant geen aflossingsschema, hetgeen in zakelijke verhoudingen niet zal voorkomen bij leninsgovereenkomsten in het algemeen, noch bij rekening-courantverhoudingen van deze omvang in het bijzonder.
Als laatste wil ik indit veband opmerken dat de rekening-courantverhouding bijna geheel door de B.V. met vreemd vermogen gefinancierd dient te worden. De rente die de B.V. dan in rekening zal brengen bij de rekening-courant zal in zakelijke verhoudingen dan hoger moeten liggen dan de rente die bij banken betaald moet worden. (…)
Daarnaast heb ik nog een vraag over het taxatierapport dat u hebt meegezonden. Volgens de mij ter beschikking staande gegevens staat de boerderij met ondergrond (ca. 5.000 m2) op naam van [eiser]. De grond met recreatiebestemming komt daarin niet voor. Graag ontvang ik van u een kopie van het eigendomsbewijs van die grond. Ook vraag ik mij af of deze grond niet in Box 3 zou moeten vallen ingaand belastingjaar 2001, al dan niet te verminderen met eventuele schulden die daarop rusten.".
1.9 De accountant van [BV X] heeft de onder 1.8 vermelde brief beantwoord bij brief van 28 september 2005 en schrijft daarin onder meer:
"Bijgaand ontvangt u de akte van levering van de boerderij inclusief gronden. Zoals u kunt zien behoren deze gronden bij de boerderij in Box 1.".
1.10 Verweerder heeft in zijn verweerschrift onder meer geschreven:
"Aanhorigheid
Er is sprake van een aanhorigheid indien het perceel behoort bij de eigen woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is (Hoge Raad 16 juli 1993, BNB 1993/281). En daarvan kan niet worden gesproken indien sprake is van afzonderlijke grond, mede gelet op de omvang ten opzichte van de bij de woonboerderij gelegen grond (49.95 are) Er is sprake van bijna een vervierdubbeling.
Op de grond gelegen bij de woon boerderij zijn de opstallen en een zwembad gesitueerd. En dat heeft een oppervlakte van bijna 5.000 m2. Deze grond is in gebruik en dienstbaar aan de eigen woning. Het perceel [kadastraal nummer 1] met een oppervlakte van maar liefst 18.660 m2 is niet dienstbaar aan de eigen woning, heeft een recreatieve bestemming waarop (wellicht) recreatiewoningen en woningen voor permanente bewoning zullen worden gerealiseerd. Dit perceel grenst deels aan de grond van de woonboerderij, is daaraan niet dienstbaar en is ook niet in gebruik bij de eigen woning. Belanghebbendes opmerking dat hij daar weleens zijn hond uitlaat, maakt natuurlijk het perceel grond niet tot een aanhorigheid. De hond zal ook weleens elders worden uitgelaten, dat maakt die grond ook niet tot een aanhorigheid van de eigen woning.
Belanghebbende heeft al vele jaren grote plannen met dit perceel en zoals reeds is opgemerkt, het is niet in gebruik bij de eigen woning en het is niet dienstbaar aan de eigen woning. Dit perceel is bijna vier keer zo groot als de grond bij de eigen woning En dat laatste perceel is ook behoorlijk omvangrijk en voldoende voor gebruik bij de eigen woning.
Er is sprake van een afzonderlijk, omvangrijk stuk grond dat kan niet als een tot het hoofdverblijf van de eigen woning dienden aanhorigheid worden aangemerkt.".
1.11 Verweerder heeft ter zitting onder meer verklaard:
"Met de recreatieve bestemming van het terrein wilde ik duidelijk maken dat mijn collega van de vennootschapsbelasting niet wist hoe het zat. Hij kende alleen de omvang van het perceel.
De vraag spitste zich destijds toe op de rekening/courant-stand, op de waarde van de grond en of er in privé voldoende vermogen was om de rekening/courant-schuld af te lossen. Het was heel onduidelijk wat de bestemming van de grond was en dus wat de waarde was.
Mijn collega heeft de vraag opgeworpen of de grond tot box 3 moet worden gerekend en heeft genoegen genomen met het verkregen antwoord. Hij heeft daaraan geen consequentie verbonden. Hij was zodanig overtuigd dat er geen reden was om nadere vragen te stellen. Gelet op de feiten was één en ander acceptabel. Wat dat betreft bestaat er inderdaad weinig ruimte voor mijn stelling dat er sprake is van kwade trouw.".