ECLI:NL:RBLEE:2012:BW0856

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
12 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/1295 T
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake weigering WIA-uitkering en geschiktheid van functies

In deze zaak heeft de Rechtbank Leeuwarden op 12 januari 2012 een tussenuitspraak gedaan in het kader van een beroep tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Eiseres, die als callcenter medewerkster werkzaam was, had zich ziek gemeld na een val met neurologische klachten. Het Uwv had haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%, wat betekende dat zij geen recht had op een uitkering. Eiseres was het niet eens met deze beslissing en stelde dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend en dat er geen informatie was ingewonnen bij haar specialist.

De rechtbank heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat het Uwv onvoldoende had gemotiveerd waarom de functie van schadecorrespondent, die aan eiseres was voorgehouden, geschikt was voor haar. De rechtbank oordeelde dat de arbeidsdeskundigen niet adequaat waren ingegaan op de specifieke beperkingen van eiseres, zoals het aspect van het verdelen van aandacht en de noodzaak voor een voorspelbare werksituatie. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om het gebrek in de motivering te herstellen, hetzij door aanvullende motivering, hetzij door het aanduiden van andere functies. De rechtbank heeft de termijn voor herstel vastgesteld op zes weken na verzending van de tussenuitspraak.

De rechtbank heeft verder besloten om iedere verdere beslissing aan te houden tot de einduitspraak op het beroep, inclusief de beslissing over proceskosten en griffierecht. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat nog geen hoger beroep open tegen deze tussenuitspraak, totdat er een einduitspraak is gedaan.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
procedurenummer: AWB 11/1295 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2012 als bedoeld in de artikelen 8:51a en 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in de zaak tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. E.A. van Wieren, advocaat te Leeuwarden,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
verweerder,
gemachtigde: J.T. Wielinga, werkzaam bij het Uwv te Leeuwarden.
Procesverloop
Bij brief van 26 april 2011 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 1 december 2011. Namens eiseres en verweerder zijn hun gemachtigden verschenen.
Motivering
Feiten
1.1 Eiseres is laatstelijk voor 34,14 uur per week als callcenter medewerkster via Randstad Uitzendbureau werkzaam geweest bij de Belastingdienst. Op 30 maart 2009 is eiseres wegens neurologische klachten ten gevolge van een val met haar fiets uitgevallen van haar werk.
1.2 Bij besluit van 4 maart 2011 heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van 15 maart 2011 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen op de grond dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op een rapport, met bijbehorende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), van verzekeringsarts G.F. Breuker van 7 februari 2011 en een rapport van arbeidsdeskundige B.E. Klein van 22 februari 2011.
1.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 maart 2011 ongegrond verklaard. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op een rapport van bezwaarverzekeringsarts M.A. Peerden van 18 april 2011.
Geschil
2.1 Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd haar een WIA-uitkering toe te kennen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verweerder haar beperkingen heeft onderschat en dat zij door deze beperkingen niet in staat is de geduide functies te verrichten. Verder heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen informatie heeft ingewonnen bij haar specialist.
2.2 Verweerder handhaaft het bestreden besluit. In reactie op de beroepsgronden verwijst hij naar een rapport van bezwaarverzekeringsarts Peerden van 21 juli 2011 en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige B. Bootsma van 1 augustus 2011.
Beoordelingskader
3.1 Gedeeltelijk arbeidsgeschikt in de zin van de WIA is degene die als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling
slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per
uur, doch die niet volledig duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat een werknemer
pas bij een verlies van 35% of meer van zijn verdiencapaciteit in aanmerking komt voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een
verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt dus niet alleen bepaald
door de ernst van de medische beperkingen.
3.2 Het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip is nader uitgewerkt in het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit). Op grond hiervan worden aan de
betrokkene tenminste drie verschillende functies voorgehouden, waarmee hij ondanks zijn
medische beperkingen inkomen kan verwerven. Deze functies dienen ieder tenminste drie
arbeidsplaatsen te vertegenwoordigen. De resterende verdiencapaciteit van de betrokkene
wordt vastgesteld op de hoogte van het inkomen dat kan worden verworven met de middelste
van de drie functies waarmee het hoogste loon per uur kan worden verdiend. De mate van
arbeidsongeschiktheid wordt vervolgens berekend door het maatmaninkomen van de
betrokkene te vergelijken met zijn resterende verdiencapaciteit.
Beoordeling van het medische gedeelte van het geschil
4.1 In dit geval is de schatting gebaseerd op de door de verzekeringsarts Breuker opgestelde FML. Hierin is de belastbaarheid van eiseres per 15 maart 2011 vastgelegd. Bezwaarverzekeringsarts Peerden heeft de FML bevestigd. De rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geschied. De verzekeringsartsen hebben eigen (dossier)onderzoek gedaan en de beschikbare informatie van derden bij hun beoordeling betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen niet onzorgvuldig hebben gehandeld door geen nadere informatie in te winnen van de specialist van eiseres. Daartoe overweegt de rechtbank in navolging van de bezwaarverzekeringsarts dat eiseres ten tijde van de primaire beoordeling en de beoordeling in bezwaar niet langer onder behandeling was van een neuroloog en dat in het dossier voldoende informatie van de neuroloog aanwezig was met betrekking tot de periode daarvoor. De rechtbank begrijpt dat bezwaarverzekeringsarts Peerden met zijn opmerking in het rapport van 21 juli 2011 dat in het dossier "uitputtende informatie van de neuroloog" voorhanden is, doelt op de brieven van de neuroloog die in het dossier aanwezig zijn als gedingstukken B16 en volgende. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder in het kader van het bezwaar nieuwe informatie van de neuroloog heeft ontvangen. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat verweerder informatie voor eiseres heeft achtergehouden.
4.2 Eiseres claimt dat zij beperkt is ten aanzien van concentreren van aandacht, herinneren, omgaan met conflicten, uitvoeren van taken in groepsverband en geluidsbelasting, dat zij geen hoog handelingstempo aankan en dat zij is aangewezen op volledig gestructureerd werk waarbij zij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen en waarbij intensieve begeleiding aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat uit de medische stukken niet blijkt dat de beperkingen van eiseres op deze gebieden zwaarder zijn dan in de FML is vastgelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit kader overwogen dat eiseres cognitieve beperkingen heeft, maar dat deze niet zeer uitgesproken zijn en dat zij ook al bestonden voordat eiseres uitviel. Volgens de bezwaarverzekeringsarts wordt dit bevestigd door het feit dat tijdens het primaire onderzoek en de hoorzitting geen aanwijzingen zijn gevonden voor cognitieve deficiënties of psychopathologie. De door eiseres genoemde specifieke voorwaarden voor het persoonlijke functioneren suggereren volgens de bezwaarverzekeringsarts forse cerebrale schade met verregaande gevolgen voor het leven van alledag, waarvan bij eiseres met zekerheid geen sprake is. Verder wijst de bezwaarverzekeringsarts erop dat een sterk lawaaiige omgeving door de beperking op het aspect "verdelen van aandacht" (I.2) impliciet is uitgesloten. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is de angina pectoris niet duidelijk beperkend voor eiseres, aangezien zij geen nitrospray gebruikt om aanvallen te couperen. Omdat het telefonisch hanteren van conflicten bovendien een één op één relatie zonder andere verstorende variabelen suggereert, acht de bezwaarverzekeringsarts eiseres daartoe in staat. De rechtbank ziet in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding om te twijfelen aan deze standpunten van de bezwaarverzekeringsarts.
4.3 Verder claimt eiseres dat zij beperkt is ten aanzien van frequent buigen tijdens het werk, frequent zware lasten hanteren tijdens het werk, lopen tijdens het werk, traplopen en klimmen en dat zij geen acht uur per dag en geen 40 uur per week kan werken. Ook claimt zij dat ze nauwelijks in staat is achtereen te staan en te buigen of te zitten. De rechtbank is met de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat eiseres deze fysieke beperkingen niet met medische gegevens heeft onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts heeft er in dit kader op gewezen dat het niet zo is dat osteoporose of een baarmoederverzakking op zich maken dat tillen niet mogelijk of onverantwoord is. Ook wijst hij erop dat eiseres bovendien beperkt is geacht op het aspect tillen in die zin dat zij maximaal 5 kg kan tillen. Het gevaar van osteoporose is volgens de bezwaarverzekeringsarts met name dat botten relatief makkelijk breken. Daarmee is volgens hem voldoende rekening gehouden door de beperkingen op de aspecten "werk zonder verhoogd persoonlijk risico" (I.9.9) en "trillingsbelasting" (III.8.1). Volgens de bezwaarverzekeringsarts blijkt uit de MRI-scan dat de feitelijke status van de rug van eiseres alleszins meevalt en past bij haar leeftijd. Daarom ziet hij geen contra-indicatie voor 150 maal buigen per uur. Verder wijst de bezwaarverzekeringsarts erop dat tijdens het zitten zo nodig kortdurend kan worden vertreden, waarmee opgezwollen enkels kunnen worden tegengegaan. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is er op grond van de Standaard Verminderde Arbeidsduur, gelet op het dagverhaal en de bevindingen van de verzekeringsartsen, geen reden voor een duurbeperking. De rechtbank ziet in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding om te twijfelen aan deze standpunten van de bezwaarverzekeringsarts.
4.4 De rechtbank ziet, gelet op de voorgaande overwegingen, geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de belastbaarheid van eiseres op de datum in geding 15 maart 2011 heeft overschat.
Beoordeling van het arbeidskundige gedeelte van het geschil
5.1 De arbeidsdeskundige heeft met behulp van het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) functies, die voorkomen in de Standaard beroepen classificatie (Sbc), geselecteerd waartoe eiseres geschikt wordt geacht. In de onderhavige zaak is de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gebaseerd op de volgende drie door arbeidsdeskundige Klein aan eiseres voorgehouden voorbeeldfuncties: schadecorrespondent (Sbc-code 516080), productiemedewerker (Sbc-code 111180) en wikkelaar, samensteller (Sbc-code 267050).
5.2 De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige de in de functies productiemedewerker en wikkelaar, samensteller door het CBBS afgegeven signaleringen (M's, G's en *-en) in voldoende mate hebben gemotiveerd in hun rapporten van 22 februari 2011 en 1 augustus 2011. Voorts blijkt uit de gedetailleerde beschrijvingen van de in deze twee functies optredende belastingen dat deze belastingen de door verzekeringsarts Breuker vastgestelde belastbaarheid van eiseres niet te boven gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze twee functies passend te achten zijn voor eiseres.
5.3 De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geduide functie van schadecorrespondent ondanks de daarin voorkomende belastingen geschikt is voor eiseres. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de FML is eiseres beperkt ten aanzien van het aspect "verdelen van aandacht" (I.2). Dit houdt in dat zij de aandacht alternerend kan richten op een beperkt aantal uiteenlopende informatiebronnen. Daarnaast is eiseres blijkens de FML aangewezen op een voorspelbare werksituatie en kan zij niet flexibel inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden of taakinhoud (I.9.5). Bovendien is zij aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen (I.9.6). In de functie van schadecorrespondent moet worden gewerkt aan een bureau met pc en telefoon (headset) in een ruimte met enkele tientallen collega's. In de functie moeten schadeformulieren worden beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wet- en regelgeving en de jurisprudentie. Verder wordt men in deze functie dagelijks tientallen keren telefonisch benaderd door verzekerden, schaderegelaars en verzekerden van de tegenpartij. De rechtbank acht, gelet op de beperkingen van eiseres, zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom verweerder eiseres in staat acht deze functie te verrichten. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat deze functie qua belasting gelijkenis vertoont met de maatgevende arbeid van callcentermedewerkster, waarvoor verweerder eiseres ongeschikt acht. De rechtbank is van oordeel dat de door de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige gegeven motiveringen bij de aspecten I.2, I.9.5 en I.9.6 onvoldoende zijn. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundigen in hun motivering onvoldoende zijn ingegaan op de specifieke inhoud van deze functie, zoals deze is weergegeven in gedingstuk B91. Ook volgt de rechtbank de bezwaararbeidsdeskundige niet in zijn standpunt dat bij de beoordeling van het aspect "verdelen van de aandacht" (I.2) als het ware opgaat in de beoordeling van de aspecten "voorspelbare werksituatie" (I.9.5) en "geen veelvuldige storingen en onderbrekingen" (I.9.6). Uit de gebruikershandleiding CBBS blijkt weliswaar dat het CBBS geen corresponderend item voor de beoordeling van de vereiste mate van arbeidsverdeling in werk kent, maar in deze handleiding staat ook dat de arbeidsdeskundige naar eigen inzicht gebruik moet maken van alle beschikbare functie-informatie van het CBBS om zich een beeld te vormen van de vereiste mate van aandachtsverdeling. De rechtbank leidt hieruit af dat de arbeidsdeskundige op basis van (onder meer) de omschrijving van de specifieke inhoud van de functie moet beoordelen of de aandacht niet teveel moet worden verdeeld. Uit de rapporten van de arbeidsdeskundigen blijkt niet dat zij dit hebben gedaan.
5.4 Nu de arbeidskundigen geen reservefuncties hebben geduid, brengt het voorgaande de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
Gelegenheid gebrek te herstellen
6.1 Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met het intrekken van het nu het bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet verweerder een nadere motivering geven van de geschiktheid van de functie van schadecorrespondent of - als verweerder daartoe aanleiding ziet - één of meer functies bijduiden. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6.2 Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en voor de voortgang van de procedure zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
6.3 De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.
w.g. P.G. Wijtsma
w.g. F.F. van Emst
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan pas hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met een hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.