ECLI:NL:RBLEE:2012:BW9973
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak nalaten hulpverlening en veroordeling bezit GHB en amfetamine
De rechtbank Leeuwarden behandelde een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van nalaten van noodzakelijke medische hulp aan een slachtoffer dat GHB had gebruikt, en van het bezit van verdovende middelen. Verdachte werd vrijgesproken van schuld aan het overlijden van het slachtoffer omdat de zorgplicht eindigde toen het slachtoffer en een medeverdachte de woning verlieten. Verdachte had wel geadviseerd om het slachtoffer in de juiste positie te leggen en hem in de gaten te houden.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte op 9 februari 2011 in het bezit was van GHB en amfetamine/MDMA, middelen die onder de Opiumwet verboden zijn. Gezien de ernst van de feiten, de recidive en het middelengebruik van verdachte, werd een gevangenisstraf van vier weken opgelegd. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering omdat deze betrekking had op de feiten waarvoor verdachte werd vrijgesproken.
De uitspraak benadrukt dat voor schuld in de zin van artikel 307 Sr Pro sprake moet zijn van aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid, die in deze zaak niet kon worden vastgesteld. De strafoplegging voor het bezit van verdovende middelen weerspiegelt de maatschappelijke zorg over deze stoffen en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van nalaten hulpverlening en veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf voor bezit van GHB en amfetamine.