ECLI:NL:RBLEE:2012:BZ8250
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtspraak over waardering woning bij erfbelasting en recht van bewoning levensgezellin
De zaak betreft een geschil over de waardering van een woning in de nalatenschap van een overleden erflater voor de erfbelasting. De erflater was ongehuwd en liet twee erfgenamen na, waaronder eiser. De woning werd bewoond door de levensgezellin van de erflater, die na zijn overlijden kosteloos mocht blijven wonen op basis van een overeenkomst.
Verweerder stelde aanvankelijk dat sprake was van verhuur en paste artikel 21, lid 8, van de Successiewet toe, wat leidde tot een waardering van de woning op €311.260. Eiser betoogde dat de overeenkomst een huurovereenkomst met huurbescherming was, waardoor een lagere leegwaarderatio van 60% van toepassing zou zijn, en de woning dus lager gewaardeerd moest worden.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst geen huurovereenkomst is zoals bedoeld in het Burgerlijk Wetboek, omdat het recht van bewoning slechts voor korte duur (één jaar) is toegekend. Hierdoor is artikel 21, lid 8, Successiewet niet van toepassing en kan de leegwaarderatio niet worden toegepast. De rechtbank volgde het standpunt van verweerder dat de overeenkomst moet worden gezien als een recht van gebruik en bewoning of een derdenbeding, met een waardedruk van €17.730, resulterend in een waarde van €376.270.
Vanwege het verbod van reformatio in peius kon de rechtbank de waarde echter niet hoger vaststellen dan de door verweerder eerder vastgestelde €311.260. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en ook de heffingsrente werd gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag erfbelasting wordt ongegrond verklaard en de woning wordt gewaardeerd op €311.260.