ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2695
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking ligplaatsvergunning voor nachtligplaats in haven West-Terschelling
De besloten vennootschap Eigen Veerdienst Terschelling B.V. (EVT) had ligplaatsvergunningen voor het motorschip ms. "Willem Barentsz" op plekken 3 en 5 in de haven van West-Terschelling. Het college van burgemeester en wethouders van Terschelling trok deze vergunningen in, omdat EVT het schip had overgedragen aan een buitenlandse reder en het schip niet langer werd gebruikt voor de dienstregeling tussen Terschelling en Harlingen.
EVT stelde dat het college onvoldoende rekening had gehouden met haar belangen en dat de intrekking onevenredig was. EVT wilde plek 5 in de toekomst gebruiken als nachtligplaats voor een ander schip en vreesde dat intrekking dit onmogelijk zou maken. Het college stelde dat EVT geen procesbelang had omdat andere schepen al een ligplaats hadden.
De rechtbank oordeelde dat EVT wel degelijk belang had bij een inhoudelijke beoordeling omdat intrekking van de vergunning ertoe leidt dat plek 5 aan een ander kan worden toegekend. Op grond van de Havenverordening Terschelling 2006 is het college bevoegd een vergunning in te trekken als de reden voor verlening is vervallen.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking terecht was omdat de vergunning specifiek was verleend voor het schip Willem Barentsz, dat niet meer in gebruik was. EVT werd niet onevenredig geschaad omdat zij een nieuwe vergunning kan aanvragen voor een ander schip. De rechtbank zag geen aanwijzingen voor bevoordeling van TSM en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van EVT tegen de intrekking van de ligplaatsvergunning voor plek 5 wordt ongegrond verklaard.