ECLI:NL:RBLIM:2013:12753

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 oktober 2013
Publicatiedatum
21 februari 2014
Zaaknummer
184377 A
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:14 AwbArt. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen wrakingskamer wegens gebrek aan feiten en schijn van partijdigheid

Verzoeker, eiser in drie bestuursrechtelijke zaken, diende een wrakingsverzoek in tegen de eerste wrakingskamer die het wrakingsverzoek tegen rechter Bruijnzeels zou behandelen. Dit verzoek tot wraking werd ingediend nog voordat de eerste wrakingskamer haar behandeling kon starten.

De wrakingskamer oordeelt dat het verzoek niet voldoet aan de wettelijke eisen omdat verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die de onpartijdigheid van de wrakingskamer aantonen. Ook de door verzoeker gestelde procedurele bezwaren over de behandeling van meerdere zaken in één zitting worden verworpen, omdat de wet dit toestaat.

Daarnaast stelt de wrakingskamer vast dat het opvolgend wrakingsverzoek een misbruik van recht vormt omdat het gebaseerd is op dezelfde of vergelijkbare gronden zonder af te wachten op de beslissing van het eerste verzoek. Daarom wordt bepaald dat een volgend gelijksoortig verzoek niet in behandeling wordt genomen.

De procedure tegen rechter Bruijnzeels wordt voortgezet in de oorspronkelijke samenstelling van de eerste wrakingskamer. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2013 door de wrakingskamer bestaande uit Beurskens, Vluggen en Geisel.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de eerste wrakingskamer wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet in de oorspronkelijke samenstelling.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Publiek recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer : C/03/184377 / HA RK 13/119
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingszaken,
in de zaak van
[verzoeker]
wonende te Roermond (hierna: verzoeker)
indiener van een verzoeke dat strekt tot wraking van:
mr. M.F.P. van Dooren, mr. J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Kleijkers

1.Het verloop van de procedure

Verzoeker is eiser in drie bestuursrechtelijke zaken die bij deze rechtbank zijn geregistreerd onder zaaknummer ROE 13/135 WW BR7. Verzoeker heeft bij brief van 19 september 2013 de behandeld rechter mr. P.J.M. Bruijnzeels gewraakt. De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.
Daarop is een wrakingskamer samengesteld met mr. Van Dooren als voorzitter en mr. Van Baal en mr. Kleijkers als leden. Door deze kamer is ter behandeling van het verzoek tot wraking van de rechter een zitting bepaald op 4 oktober 2013.
Bij brief van 27 september 2013 heeft verzoeker de griffie bericht de wrakingskamer (hierna: de eerste wrakingskamer) te wraken. De rechters van de voornoemde wrakingskamer hebben op 1 oktober 2013 medegedeeld niet in de wraking te berusten.
Daarop is een nieuwe wrakingskamer samengesteld met mr. Beurskens als voorzitter en
mr. Vluggen en mr. Geisel als leden.

2.De beoordeling

De wrakingskamer beoordeelt het verzoek tot wraking van 27 september 2013 gericht tegen de eerste wrakingskamer.
Nu verzoeker de eerste wrakingskamer heeft gewraakt nog voordat het (eerste) verzoek tot wraking door deze kamer in een zitting zou worden behandeld (op, naar hierna zal blijken, niet valide gronden) ziet de wrakingskamer voldoende aanleiding geen toepassing te geven aan artikel 8:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
In artikel 8:15 van Pro de Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer stelt voorop dat de procedure voor de behandeling van een verzoek tot wraking vastligt in de wet. Daarin wordt de te volgen procedure geregeld, evenals de taken en bevoegdheden van de wrakingskamer en de partijen in dit kader.
Verzoeker heeft aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat de door de eerste wrakingskamer genomen beslissing om het (eerste) wrakingsverzoek te behandelen zonder daarbij verzoekers wens ten aanzien van het organiseren van een zitting ten behoeve van de drie verschillende zaken in acht te nemen, blijk geeft van vooringenomenheid van de wrakingskamer jegens verzoeker.
Verzoeker gaat kennelijk ervan uit dat zijn verzoek om mr. Bruijnzeels in drie zaken te wraken meebrengt dat sprake is van drie wrakingsverzoeken, die afzonderlijk behandeld dienen te worden. Naar de wrakingskamer begrijpt is het standpunt van verzoeker dat dit dient te gebeuren door drie verschillende wrakingskamers, tijdens drie afzonderlijke zittingen. Dit standpunt vindt geen steun in de wet; de wrakingskamer wijst op het bepaalde in artikel 8:14 van Pro de Awb. Het standpunt van verzoeker dat de (eerste) wrakingskamer, door het wrakingsverzoek als één zaak te behandelen, jegens hem blijk heeft gegeven van een niet-onpartijdige instelling kan dan ook niet staande worden gehouden.
Bovendien heeft verzoeker in zijn wrakingsverzoek met betrekking tot de eerste wrakingskamer geen op de persoon van de rechter(s) betrekking hebbende feiten en omstandigheden aangevoerd. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat de eerste wrakingskamer geen blijk heeft gegeven van enige vooringenomenheid jegens verzoeker. Evenmin kan worden gezegd dat de schijn van partijdigheid niet is vermeden. De voorgaande overwegingen leiden de wrakingskamer tot het oordeel dat het verzoek tot wraking van 27 september 2013 betreffende de eerste wrakingskamer dient te worden afgewezen.
De wrakingskamer is van oordeel dat er geen beletsel bestaat dat de eerste wrakingskamer, bestaande uit mr. Van Dooren, mr. Van Baal en mr. Kleijkers zich een oordeel vormt over het wrakingsverzoek betreffende mr. Bruijnzeels.
Artikel 8:18, vierde lid, van de Awb geeft de wrakingskamer de bevoegdheid om in geval van misbruik te bepalen dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling wordt genomen.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker, door het indienen van een opvolgend wrakingsverzoek, dat gebaseerd is op gronden die in strijd komen met de opzet van de wrakingsprocedure en zonder de behandeling van en de beslissing op dat verzoek af te wachten, misbruik maakt van de bevoegdheid tot wraking. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking op de hier bedoelde gronden niet in behandeling wordt genomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst af het verzoek tot wraking van 27 september 2013 van mr. Van Dooren,
mr. Van Baal en mr. Kleijkers;
- bepaalt dat de procedure ter behandeling van het verzoek tot wraking van mr. Bruijnzeels wordt voortgezet ten overstaan van de eerste wrakingskamer, in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking van 27 september 2013;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking, gedaan op dezelfde of vergelijkbare gronden als in het onderhavige verzoek, niet in behandeling wordt genomen.
Aldus gewezen door mr. W.J.J. Beurskens, voorzitter, en mr. F.A.G.M. Vluggen en
mr. F.L.G. Geisel leden, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2013.