ECLI:NL:RBLIM:2013:12755

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 november 2013
Publicatiedatum
25 februari 2014
Zaaknummer
126120 / HA RK 13-171
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen rechter J.J.M. Wassenberg naar aanleiding van een vermeende uitlating van een medewerker van Buro Jeugdzorg na een zitting over de ondertoezichtstelling van haar minderjarige zoon.

Zij stelde dat hierdoor de schijn van partijdigheid van de rechter werd gewekt, mede door geruchten over contacten tussen kinderrechters en Buro Jeugdzorg. De rechter zelf berustte niet in het wrakingsverzoek en zag af van een hoorzitting.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van subjectieve en objectieve criteria voor partijdigheid. Er werden geen feiten gesteld die subjectieve partijdigheid aantonen. De vermeende uitlating door een derde was onvoldoende vastgesteld en kon niet leiden tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen sprake was van objectieve partijdigheid of de schijn daarvan en wees het wrakingsverzoek af. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter Wassenberg wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing
____________________________________________________________________________________
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Datum uitspraak: 29 november 2013
Zaaknummer: 126120 / HA RK 13-171
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken
in de zaak van
[verzoekster] (hierna: verzoekster),
thans verblijvende in P.I. Ter Peel te Evertsoord (Postbus 6021 te 5960 AA Horst), indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:
mr. J.J.M. Wassenberg,rechter in deze rechtbank (hierna ook: de rechter).

1.Procesverloop

1.1.
Op 30 oktober 2013 is ter griffie ingekomen een door verzoekster ingediend wrakingsverzoek, dat is gericht tegen mr. J.J.M. Wassenberg.
1.2.
De rechter heeft de wrakingskamer laten weten dat hij niet in het wrakingsverzoek berust. Hij heeft afgezien van de mogelijkheid om te worden gehoord.
1.3.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 22 november 2013 ter zitting behandeld. Bij deze behandeling is verzoekster verschenen. Zij heeft ter zitting het wrakingsverzoek nader toegelicht.
1.4.
Namens Buro Jeugdzorg zijn verschenen [x] en [y].
1.5.
Van de zijde van de Raad voor de Kinderbescherming is niemand verschenen.

2.De grond van het wrakingsverzoek

2.1.
Als grond voor het wrakingsverzoek heeft verzoekster onder meer het volgende aangevoerd. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat in deze zaak de schijn van partijdigheid is gewekt. Op 24 oktober 2013 is het door verzoekster ingediende verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling (hierna: OTS) van haar minderjarige zoon [minderjarige zoon] behandeld door de rechter. Verzoekster heeft via haar vader vernomen dat de dame die namens de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting aanwezig was ná de zitting heeft gezegd, “
dat zij 100% zeker wist dat de OTS toch niet opgeheven zal worden”.
Zaaknummer: 04/ 126120 / HA RK 13-171
2
2.2.
Verzoekster ziet in deze uitlating de bevestiging voor het gerucht dat de kinderrechters in de wandelgangen contact hebben met Buro Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming, waardoor de schijn van partijdigheid wordt gewekt.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter is van mening dat de door verzoekster aangedragen gronden geen feiten of omstandigheden opleveren die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat hij ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de daarvoor bij verzoekster bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Verzoekster baseert zich op uitlatingen die door een derde buiten de zittingzaal omtrent de door de rechter te nemen beslissing zouden zijn gedaan.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.
4.2.
Ten aanzien van het subjectieve criterium oordeelt de wrakingskamer dat er in het onderhavige verzoek tot wraking door verzoekster geen feiten of omstandigheden worden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid. De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of er sprake geweest zou kunnen zijn van objectieve partijdigheid.
4.3.
Ten aanzien van het objectieve criterium wordt het navolgende overwogen. Uit het verzoekschrift als ook uit hetgeen verzoekster ter zitting heeft verklaard, blijkt dat een door een derde ná de zitting gedane uitlating verzoekster aanleiding heeft gegeven tot het indienen van het wrakingsverzoek. Verzoekster baseert haar standpunt dat er buiten de zitting om contact is tussen kinderrechters en Buro Jeugdzorg en dat er onderling afspraken worden gemaakt, op geruchten die circuleren op het internet. De wrakingskamer is van oordeel dat niet, althans in onvoldoende mate is komen vast te staan dat de uitlating waarop verzoekster haar wrakingsverzoek heeft gebaseerd, daadwerkelijk is gedaan. Maar zelfs al zou dit zo zijn, dan kan uit het handelen van een derde niet de partijdigheid van de rechter worden afgeleid.
Zaaknummer: 04/ 126120 / HA RK 13-171 3
4.4.
De wrakingskamer komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er geen grond is voor het aannemen van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij
de rechter. Op grond van het bovenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond is en daarom moet worden afgewezen.

5.Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking van mr. J.J.M. Wassenberg af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.P.F. van Dooren, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Kleijkers, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier en uitgesproken op 29 november 2013.
Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.