Eiser vroeg een bouwvergunning aan voor het realiseren van een standplaats, woonwagen, berging en hekwerken op een perceel in Maastricht. Verweerder weigerde de vergunning op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob, omdat er volgens hem een ernstig gevaar bestond dat de vergunning mede zou worden gebruikt voor strafbare feiten. Dit zou samenhangen met een vermeend zakelijk samenwerkingsverband tussen eiser en zijn vader, die verdachte was van strafbare feiten in de autobranche.
De rechtbank oordeelde dat het enkele feit van een familiaire relatie tussen eiser en zijn vader onvoldoende is om een zakelijk samenwerkingsverband aan te nemen. Ook de gezamenlijke activiteiten van de vader en de broer van eiser in de autobranche leiden niet tot een zakelijk samenwerkingsverband met eiser. De verdachte stortingen vonden plaats voordat eiser bestuurder was van de betrokken onderneming en eiser was slechts kort bestuurder tijdens de detentie van zijn vader.
De rechtbank stelde vast dat verweerder zich niet redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat sprake was van een zakelijk samenwerkingsverband dat het gebruik van de vergunning voor strafbare feiten zou kunnen bevorderen. De adviezen van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) waren onvoldoende onderbouwd en verweerder mocht deze niet als grondslag voor weigering gebruiken. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.