De rechtbank Limburg behandelde op 27 juni 2013 het verzoek van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg tot machtiging van gesloten plaatsing en pleeggezinplaatsing van een minderjarige. De minderjarige was onder toezicht gesteld tot 5 februari 2014 en hield zich niet aan de gemaakte afspraken, waardoor verdere afglijding werd gevreesd.
De stichting stelde dat een gesloten behandelsetting noodzakelijk was om ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen aan te pakken en vroeg machtiging voor gesloten plaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling. Daarnaast werd een machtiging gevraagd voor plaatsing bij een pleegouder zolang de gesloten plaatsing niet kon worden geëffectueerd.
De moeder verzette zich tegen de gesloten plaatsing en stelde dat de minderjarige zich redelijk goed gedroeg. De minderjarige zelf stemde in met verblijf bij de pleegmoeder maar was het niet eens met de gesloten plaatsing en gaf aan onderwijsachterstanden te hebben.
De kinderrechter oordeelde dat op basis van artikel 29b, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg de gesloten plaatsing noodzakelijk is wegens ernstige belemmeringen in de ontwikkeling naar volwassenheid en om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de noodzakelijke zorg onttrekt. De machtiging voor gesloten plaatsing werd verleend tot uiterlijk 5 februari 2014, met een machtiging voor pleeggezinplaatsing tot maximaal vier maanden of korter indien eerder mogelijk. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.