Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
“uitdrukkelijk voor het geval dat het gegeven ontslag op staande voet van 12 november 2012 ten onrechte is gegeven.
”
Rechtbank Limburg
De werknemer trad in 2007 in dienst bij de werkgever met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 12 november 2012 werd de werknemer op staande voet ontslagen wegens een dringende reden, namelijk verduistering binnen de dienstbetrekking. Sindsdien werkte de werknemer niet meer en ontving geen loon.
De werkgever verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, primair gebaseerd op het ontslag op staande voet en subsidiair op andere veranderingen in omstandigheden. De werknemer betwistte de rechtmatigheid van het ontslag en de subsidiaire gronden.
De kantonrechter oordeelde in een kort geding dat het ontslag op staande voet terecht was gegeven. De overige gedragingen waarop de werkgever zich baseerde waren onvoldoende aannemelijk en van geringe betekenis. Daarom werd het ontbindingsverzoek afgewezen en werden de proceskosten gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven en de subsidiaire ontbindingsgrond niet is vervuld.