De vreemdeling meldde zich voor het indienen van een reguliere verblijfsaanvraag, maar legitimeerde zich met een vals paspoort met een vervalst visum. Hij werd strafrechtelijk aangehouden en vervolgens vreemdelingenrechtelijk in bewaring gesteld. Tegen hem werd een terugkeerbesluit met een inreisverbod van vijf jaar uitgevaardigd. De rechtbank oordeelde dat er op het moment van de melding nog geen daadwerkelijke aanvraag was ingediend, waardoor geen rechtmatig verblijf bestond en het terugkeerbesluit rechtmatig was.
Verweerder mocht de vertrektermijn verkorten tot onmiddellijke uitzetting omdat de vreemdeling zich niet aan de regels hield, valse documenten gebruikte, geen vaste woonplaats had, onvoldoende middelen van bestaan had en verdachte was van een misdrijf. De rechtbank vond deze gronden voldoende om het inreisverbod en de inbewaringstelling te rechtvaardigen.
De na het terugkeerbesluit ingediende reguliere aanvraag leidde niet tot rechtmatig verblijf vanwege het inreisverbod. Het beroep tegen de maatregelen werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Govaers op 7 oktober 2013.