Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.Het onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
1. Wat is er gebeurd rondom de verklaringen van [getuige]? De feitelijke gang van zaken.
. Over de zaken die wij in onderzoek hadden vertelde [getuige] echter niets. (cursief van de rechtbank)Zijn verklaring zou daarom voor het onderzoek Landlord geen waarde hebben, zoveel werd toen al duidelijk. Met de inhoud van deze verklaring is daarom tijdens het onderzoek Landlord niets gedaan. Hetgeen hij echter over anderen vertelde, heeft gemaakt dat hij zijn kluisverklaringen heeft mogen afleggen.
Hij heeft dat gedaan tegenover opsporingsambtenaren die niet onderdeel uitmaakten van het team Landlord en ook niet anderszins daarbij betrokken waren (cursief van de rechtbank).(…)
Wat uiteindelijk in de kluisverklaringen is opgenomen, is binnen het onderzoek Landlord niet bekend. Alleen de tactische verklaring van 8 juli 2009 is bekend bij de zaaksofficier en de twee verbalisanten die deze verklaring opnamen. Maar ook daarin staat niets dat in dit onderzoek van belang is geweest, laat staan is gebruikt voor de opsporing of sturing van het onderzoek. (cursief van de rechtbank)(…)
. De kluisverklaringen zijn, aldus de officier van justitie op deze zitting, opgemaakt door opsporingsambtenaren buiten het onderzoeksteam. (cursief van de rechtbank)
[verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben volgens de officier van justitie geen deel uitgemaakt van het onderzoeksteam Landlord.
Zij hebben in deze zaak dus geen enkele rol gespeeld. (cursief van rechtbank)
“[verbalisant 4] heeft in het onderzoek Landlord geen opsporingshandelingen verricht of processen-verbaal opgemaakt.” (cursief van de rechtbank)
2. Achtergrond van het verweer. Het belang van het aan het dossier toevoegen van de verklaringen van [getuige].
inde ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. Waarom het feit dat [getuige] pas na 16 juni 2009 is gehoord relevant zou zijn voor de vraag of zijn verklaringen al dan niet als processtuk zouden moeten worden aangemerkt, zoals het openbaar ministerie stelt, ontgaat de rechtbank dan ook.
belastendeinformatie over [verdachte]
ontlastendkan zijn voor één of meer andere verdachten. Ook om die reden is inzage in de verklaringen van [getuige] voor de rechtbank en verdediging van belang.
moetde verdediging dus, op grond van de hiervoor genoemde jurisprudentie en artikel 6 EVRM Pro, de gelegenheid krijgen om de verklaringen in te zien.
3. De pogingen van de rechtbank om kennis te nemen van de inhoud van de verklaringen van [getuige].
nietverboden om over de inhoud van de verklaringen van [getuige] te verklaren.
informatie uit de verklaringen (bewust of onbewust) gebruikt is in het onderzoek Landlord, hebben de getuigen als volgt verklaard.
anderenvertelde, heeft gemaakt dat hij zijn verklaringen heeft mogen afleggen.
andere verdachtenin deze zaak. Getuige [ovj 1] “denkt” dat in de verklaringen van [getuige] gesproken werd over “de zoon van [verdachte] of de kinderen van [verdachte]” of “het gezin van [verdachte]”. Ten aanzien van een aantal andere verdachten (onder andere [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]) weet zij desgevraagd niet of zij in de verklaringen van [getuige] voorkomen. Getuige [verbalisant 1] twijfelt erover of er over de familie van [verdachte] wordt gesproken in de verklaringen van [getuige]. Getuige [ovj 2] heeft niet willen zeggen of de verdachte [medeverdachte 1] in de verklaringen van [getuige] voorkomt. Hij kan zich desgevraagd niet herinneren of in de verklaringen van [getuige] gesproken is over de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] of [medeverdachte 5]. Getuige [verbalisant 4] heeft op geen enkele vraag over de inhoud van de verklaringen van [getuige] antwoord willen geven. Datzelfde geldt voor getuige [getuige].
ontlastende informatiebevatten ten aanzien van [verdachte] of één van de andere verdachten.
niethet geval was, is voor de rechtbank onvoldoende om daarvan uit te gaan. Immers zij kende het zaaksdossier Landlord niet en geeft zelf ook aan dat het voor haar “moeilijk (was) om specifiek te beoordelen waarover het ging”. Zo kon zij bijvoorbeeld ook niet beoordelen of “als meneer [getuige] het over a,b en c had en d niet noemde, dat voor d ontlastend zou zijn.”
5.Is er sprake van een schending van artikel 6 EVRM Pro?
6.Waar moet dit toe leiden?
a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?
buitenhet onderzoeksteam.
nietin zijn bezit heeft gehad.
“Is de onrechtmatigheid herstelbaar?”aan de orde komt.
“geen onderdeel uitmaakten van het team Landlord en ook niet anderszins daarbij betrokken waren.”Pas nadat anonieme e-mails door de verdediging werden overgelegd en na expliciet doorvragen van de verdediging en de rechtbank bleek dat dit de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] waren, die wel degelijk bij het onderzoek Landlord betrokken waren.
a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?
“een betreurenswaardige fout van een professional”maar is in strijd met alle beginselen van een behoorlijke procesorde.
“Is de onrechtmatigheid herstelbaar?”.
a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?
te proberende opdrachten van de rechtbank uit te voeren.
nietin beroep gegaan tegen het vonnis in kort geding van 25 juni 2013 en evenmin in cassatie tegen het arrest van 24 januari 2013. Door zich zonder meer neer te leggen bij deze civiele uitspraken, heeft het openbaar ministerie opnieuw doelbewust ervoor gekozen de bevelen van de rechtbank in deze strafzaak naast zich neer te leggen. En dit opnieuw zonder inzicht te geven in de gedachtegang achter die keuze.
doelbewustvoor gekozen heeft geen gehoor te geven aan de opdrachten van de rechtbank. Daarmee heeft het openbaar ministerie
doelbewustde belangen van de verdachten in deze strafzaak op een eerlijk proces tekort gedaan, nu de rechtbank reeds op 25 januari 2013 uitdrukkelijk had overwogen dat het in het belang van een fair trial van de verdachten was om wel inzicht in de verklaringen van [getuige] te kunnen krijgen.
7.Eindconclusie
in zijn geheel (‘as a whole’in de jurisprudentie van het EHRM) als fair is te betitelen. Eén schending van artikel 6 EVRM Pro betekent nog niet dat niet meer sprake kan zijn van een ‘fair trial as a whole’.
nietwordt ondervangen.