ECLI:NL:RBLIM:2013:7658
Rechtbank Limburg
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling uitkering cofinanciering Europese programma’s Zuid-Limburg
De zaak betreft een beroep van het College van gedeputeerde staten van Limburg tegen het besluit van de Minister van Economische Zaken om de uitkering voor cofinanciering van Europese programma’s in Zuid-Limburg lager vast te stellen dan het toegezegde bedrag. Het primaire besluit dateert uit 1997, het bestreden besluit uit 2012. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van het bestuursrechtelijk kader dat geldt tot 31 december 2012.
De Minister heeft de uitkering vastgesteld op een lager bedrag dan toegezegd, mede vanwege een rechtmatigheidsonderzoek en correcties op basis van steekproeven van projecten gefinancierd uit het voorschot. De rechtbank toetst onder meer de toepassing van de flexibiliteitsregel, de rechtmatigheid van de correcties op projecten zoals APR Zuid-Limburg en Expertisecentrum ICT, en de zorgvuldigheid van het besluitvormingsproces.
De rechtbank oordeelt dat de Minister terecht het bedrag dat niet aan eindbegunstigden is doorgegeven niet heeft geaccepteerd. De harde correctie op het project APR Zuid-Limburg is gerechtvaardigd vanwege het niet naleven van de vijfjaars werkgelegenheidstermijn. Ook de onzekerheidscorrecties op andere projecten zijn redelijk gegeven de gebrekkige onderbouwing door eiser. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel faalt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot vaststelling van een lagere uitkering wordt bekrachtigd.