ECLI:NL:RBLIM:2013:7816
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Nederlandse rechter onbevoegd bij tussentijdse opheffing ondertoezichtstelling na verhuizing kinderen naar Duitsland
De rechtbank Limburg behandelde verzoeken van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg tot tussentijdse opheffing van de ondertoezichtstellingen van twee minderjarige kinderen die sinds 2007 onder toezicht stonden. De kinderen waren in juli 2013 met hun moeder naar Duitsland verhuisd, waar zij ook stonden ingeschreven. De vader verzette zich niet tegen deze verhuizing.
De rechtbank stelde vast dat op grond van artikel 8 van Pro Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II-bis) de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd is. De feiten wezen uit dat de gewone verblijfplaats van de kinderen sinds juli 2013 in Duitsland was met voldoende bestendigheid. Er waren geen aanwijzingen dat de Nederlandse rechter op grond van andere artikelen van Brussel II-bis bevoegd bleef.
Daarom verklaarde de rechtbank zich internationaal onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken. De rechtbank benadrukte dat het ontbreken van aanspraak op Nederlandse jeugdzorg niet betekent dat de ondertoezichtstellingen geen doel meer dienen, aangezien Nederlandse beschikkingen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid ook in andere lidstaten ten uitvoer gelegd kunnen worden.
De beschikking werd gegeven door kinderrechter F.L.G. Geisel en is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2013. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich internationaal onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken tot tussentijdse opheffing van de ondertoezichtstellingen vanwege de verhuizing van de kinderen naar Duitsland.