Op 12 juli 2011 vond een gewapende overval plaats bij een supermarkt te Grubbenvorst. Verdachte werd ervan verdacht kassalades van deze overval te hebben geheeld door deze in haar auto te vervoeren. Tijdens de terechtzitting op 9 oktober 2013 werd vastgesteld dat verdachte wisselende en deels onware verklaringen had afgelegd, maar dat dit niet voldoende bewijs leverde voor schuldheling.
De officier van justitie baseerde haar vordering op telefonische contacten tussen verdachte en een medeverdachte, getuigenverklaringen, en chatgesprekken. De verdediging stelde dat er geen kassalades in de auto van verdachte waren aangetroffen en dat verdachte geen zicht of zeggenschap had over de inhoud van de kofferbak.
De rechtbank oordeelde dat niet vast te stellen was of kassalades daadwerkelijk in de auto van verdachte waren geladen. Ook was onvoldoende bewijs dat verdachte wist dat de goederen van diefstal afkomstig waren. Gezien de affectieve relatie met de medeverdachte waren de omstandigheden niet zodanig verdacht dat verdachte redelijkerwijs het vermoeden had moeten hebben. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.
De benadeelde partijen, Jan Linders BV en een aangeefster, werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen omdat de verdachte niet werd veroordeeld. De rechtbank veroordeelde hen tevens in de kosten van het geding, vastgesteld op nihil.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg te Roermond op 23 oktober 2013.