Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.VERLOOP VAN DE PROCEDURE:
2.achtergrond van het geschil
onbepaaldetijd aangegaan heeft te gelden.
Rechtbank Limburg
De kantonrechter behandelde een kort geding waarin eiseres, voormalig medewerker P-administratie bij Licom N.V., na het faillissement van Licom per 19 oktober 2012 in dienst trad bij WOZL op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Eiseres stelde dat op grond van opvolgend werkgeverschap volgens artikel 7:668a lid 2 BW en het Van Tuinen-arrest haar arbeidsovereenkomst van rechtswege als onbepaalde tijd moest gelden, omdat WOZL feitelijk haar oude werkgever was.
WOZL voerde verweer en betwistte dat aan het criterium van zodanige banden tussen oude en nieuwe werkgever was voldaan. WOZL stelde dat zij geen inzicht had in het functioneren van eiseres en dat de selectie van personeel niet door haar was uitgevoerd, maar door de curator. De verklaringen van betrokkenen stonden op belangrijke punten tegenover elkaar.
De kantonrechter oordeelde dat in het beperkte kader van een kort geding onvoldoende duidelijkheid bestond over de feitelijke gang van zaken en de mate van opvolgend werkgeverschap. Gezien de tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van nader onderzoek kon niet worden vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst van eiseres van rechtswege onbepaalde tijd was geworden.
Daarom werden de gevraagde voorzieningen geweigerd en werd eiseres veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een bodemprocedure voor een volledige beoordeling van opvolgend werkgeverschap na faillissement.
Uitkomst: De gevorderde voorlopige voorzieningen worden geweigerd wegens onvoldoende duidelijkheid over opvolgend werkgeverschap.