ECLI:NL:RBLIM:2013:BY9108

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04/816261-12
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SrArt. 269 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs smaad woonwagenkampbewoners

De verdachte werd ervan beschuldigd op 22 maart 2012 in een landelijke tv-uitzending te hebben verklaard dat op een woonwagenkamp hennepteelt, drugscriminaliteit, diefstal en heling plaatsvindt, waarmee hij de eer en goede naam van een specifieke bewoner en andere bewoners zou hebben aangetast. Een van de bewoners had namens de groep een klacht ingediend, maar de rechtbank stelde vast dat er geen bewijs was dat de overige bewoners een vervolgingswens hadden of dat de klager gemachtigd was namens hen op te treden.

De officier van justitie werd daarom niet-ontvankelijk verklaard voor het deel van de tenlastelegging dat betrekking had op de groep bewoners. Voor het deel dat de individuele bewoner betrof, oordeelde de rechtbank dat de uitlatingen te algemeen waren en niet concreet genoeg om smaad te bewijzen. Verdachte had niemand bij naam genoemd en de uitlatingen konden niet worden herleid tot een aanwijsbare persoon.

De verdediging voerde aan dat verdachte een gerechtvaardigd belang had om de uitlatingen te doen vanwege een langdurig conflict en dat de uitingen onder de vrijheid van meningsuiting vielen. De rechtbank volgde dit niet, maar sprak verdachte desalniettemin vrij wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat de eer en goede naam van de individuele bewoner was aangetast.

De rechtbank verklaarde de vervolging voor de groep bewoners niet-ontvankelijk en sprak verdachte vrij voor het overige. De dagvaarding was geldig en de rechtbank was bevoegd. Er waren geen gronden voor schorsing van de vervolging. Het vonnis werd uitgesproken op 22 januari 2013 door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en vervolging tegen de groep bewoners wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 04/816261-12
Datum uitspraak : 22 januari 2013
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboortedatum en pl[plaats]
wonende te [adres]
thans gedetineerd in [detentieadres]
1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 8 januari 2013.
2. De tenlastelegging
De verdachte staat terecht ter zake dat:
hij op of omstreeks 22 maart 2012 te [plaats], in elk geval in de [gemeente], althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] en/of de woonwagenbewoners woonachtig aan de [adres] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel in een televisie-uitzending (uitgezonden op 22 maart 2012) van Hart van Nederland op SBS6 - zakelijk weergegeven - gezegd dat op het woonwagenkamp gelegen aan de [adres]) hennepteelt, drugscriminaliteit, diefstal en heling plaatsvindt;
Artikel 261 Wetboek Pro van strafrecht
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.
3. De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.
4. De bevoegdheid van de rechtbank
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Door de officier van justitie is aan verdachte ten laste gelegd de opzettelijke aanranding van de eer en goede naam van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) en/of de woonwagenbewoners woonachtig aan de [adres], strafbaar gesteld bij artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en te kwalificeren als 'smaad'. Ingevolge artikel 269 Sr Pro kan vervolging ter zake van smaad niet plaatsvinden dan nadat een klacht – in de zin van aangifte met het verzoek tot vervolging – is ingediend door degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
Op 5 april 2012 is door [slachtoffer] jegens verdachte aangifte gedaan van smaad met het verzoek tot vervolging. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken dat de woonwagenbewoners woonachtig aan de [adres] eveneens de wens tot vervolging hadden, noch dat [slachtoffer] gemachtigd was namens de (andere) woonwagenbewoners een klacht in te dienen. Ook ter terechtzitting is zulks niet gebleken.
Nu derhalve ten aanzien van de (overige) woonwagenbewoners niet is voldaan aan het klachtvereiste, zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging, voor zover het betreft de vervolging van verdachte wegens aanranding van de eer en/of goede naam van de woonwagenbewoners woonachtig aan de [adres].
Overigens zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, zodat de officier van justitie voor het overige in de vervolging kan worden ontvangen.
6. Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
7. Bewijsoverwegingen
7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken voor zover hem is ten laste gelegd dat hij opzettelijk de eer en goede naam van de woonwagenbewoners woonachtig aan de [adres] heeft aangerand, nu de aangifte niet is gedaan (mede) namens deze woonwagenbewoners.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het ten laste gelegde voor het overige, dat wil zeggen voor zover verdachte is ten laste gelegd dat hij opzettelijk de eer en goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, bewezen zal worden verklaard. Verdachte heeft erkend dat hij op 22 maart 2012 op de landelijke tv heeft gezegd dat op het woonwagenkamp hennepteelt, drugscriminaliteit, diefstal en heling plaatsvindt. Verdachte had geen redelijk doel noch een belang om aan deze uitlatingen ruchtbaarheid te geven, aangezien deze geen betrekking hebben op strafbare feiten die jegens hem zijn gepleegd. Nu [slachtoffer] in het woonwagenkamp woont en zich door de uitlatingen van verdachte aangesproken voelt, is er sprake van smaad jegens hem.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Het is niet mogelijk namens een willekeurige groep onbekende mensen aangifte te doen. Nu [slachtoffer] niet gemachtigd was namens de onbekende woonwagenbewoners aangifte te doen, is niet aan het klachtvereiste voldaan. De door verdachte gedane uitlatingen zijn voorts te algemeen om de eer en goede naam van [slachtoffer] te kunnen aanranden. Nu verdachte in algemene termen spreekt en [slachtoffer] niet met name noemt, is er geen sprake van smaad jegens hem.
Subsidiair voert de verdediging aan dat verdachte de uitspraken heeft gedaan in het kader van een jarenlang lopend conflict tussen verdachte en de bewoners van het woonwagenkamp aan de [adres], zodat hij een gerechtvaardigd doel had zijn uitlatingen openbaar te maken. Derhalve is er geen sprake van smaad, maar vallen de uitingen van verdachte op de landelijke tv onder de vrijheid van meningsuiting.
7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Uit het dossier blijkt dat verdachte op 22 maart 2012 in een tv-uitzending van het programma Hart van Nederland op SBS6 heeft gezegd dat "op het kamp hennepteelt, drugscriminaliteit, diefstal en heling plaatsvindt".
De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte op de landelijke tv gedane uitspraak niet oplevert een 'bepaald feit' in de zin van artikel 261 Sr Pro. Met een 'bepaald feit' in de zin van artikel 261 Sr Pro wordt blijkens de wetsgeschiedenis gedoeld op een concrete gedraging tegen één of meer aanwijsbare personen.
Verdachte heeft zich slechts in algemene termen uitgelaten, heeft niemand bij naam genoemd en heeft ook anderszins niet geconcretiseerd op welke aanwijsbare persoon of personen zijn uitlatingen betrekking hebben. Het enkele feit dat [slachtoffer] op het woonwagenkamp woont, acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een aanwijsbare persoon. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de uitlatingen van verdachte te onbepaald zijn om aantasting van de eer en/of goede naam van [slachtoffer] te kunnen opleveren.
Nu de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte opzettelijk de eer en goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, moet verdachte moet van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.
8. Beslissing
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging, voor zover het betreft de vervolging van verdachte wegens aanranding van de eer en/of goede naam van de woonwagenbewoners woonachtig aan de [adres];
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het overige hem ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs, en P.M.S. Dijks, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.C. Alink als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 22 januari 2013.