ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ0208
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid kantonrechter en toetsing toepasselijkheid Wet op het Consumentenkrediet bij kredietovereenkomst
In deze civiele procedure vordert ABN AMRO betaling van een kredietschuld van €29.867,24, voortvloeiend uit een flexibel krediet van €22.000 dat aan [gedaagde] is verstrekt. De kantonrechter onderzoekt ambtshalve of de Wet op het Consumentenkrediet (Wck) van toepassing is op deze overeenkomst, die in 2005 is gesloten. Omdat de overeenkomst niet is gewijzigd na 25 mei 2011, is het overgangsrecht van toepassing en is titel 2A van Boek 7 BW niet van toepassing.
De kantonrechter oordeelt dat de Wck wel van toepassing is gezien de aard en inhoud van de overeenkomst en de definitie van kredietsom. De kantonrechter verklaart zich bevoegd op grond van de Evaluatiewet Modernisering Rechterlijke Organisatie, die de competentiegrens voor de kantonrechter verhoogt tot €25.000.
[gedaagde] voert een exceptie van onbevoegdheid op basis van de waarde van de vordering en de toepasselijkheid van artikel 7:57 lid 1 sub c BW Pro, maar dit wordt verworpen. De kantonrechter wijst erop dat voor opeisbaarheid van de vordering een expliciete ingebrekestelling vereist is volgens artikel 33 lid 1 sub c onder Pro 1º Wck. ABN AMRO krijgt gelegenheid om deze ingebrekestelling in het geding te brengen.
De zaak wordt verwezen naar een volgende rolzitting voor nadere behandeling, waarbij proceskostenbeslissingen worden aangehouden. De kantonrechter benadrukt dat het ontbreken van een substantiëringsplicht niet tot afwijzing van de vordering leidt, maar wel wordt meegewogen bij de kostenveroordeling.
Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich bevoegd en houdt verdere beslissing aan totdat ingebrekestelling is overgelegd.