ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ0429
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring bezwaar tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde
De veroordeelde, een minderjarige, werd op 16 april 2012 door de kinderrechter veroordeeld voor openlijk geweld en kreeg een werkstraf opgelegd. Op 8 oktober 2012 werd door de officier van justitie bevolen celmateriaal af te nemen voor DNA-onderzoek. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze maatregel, stellende dat zijn aandeel gering was, hij zijn taakstraf had uitgevoerd, goed functioneert op school en wantrouwend staat tegenover justitie.
De kinderrechter overwoog dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen generieke uitzondering voor minderjarigen kent en dat de uitzondering in artikel 2 lid 1 sub b slechts Pro een beperkte reikwijdte heeft. Hierbij wordt gekeken naar de aard van het misdrijf, bijzondere omstandigheden, eerdere contacten met justitie en persoonlijke omstandigheden.
Gezien de ernst van het feit, eerdere contacten van de veroordeelde met justitie en het ontbreken van een concreet recidivegevaar, concludeerde de kinderrechter dat het bezwaar ongegrond is. De belangenafweging tussen het maatschappelijk belang en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde leidt tot handhaving van de DNA-afname.
Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard en de beslissing werd op 23 januari 2013 uitgesproken door kinderrechter E.J.M. Boogaard-Derix.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname wordt ongegrond verklaard en het bevel tot afname blijft van kracht.