3 De beoordeling van het bewijs
3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat het aan verdachte primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] volgt dat verdachte hen met hogere snelheid dan de snelheid die ter plaatse was toegestaan heeft ingehaald. De getuige [getuige 5] heeft ook nog verklaard dat de auto van verdachte over de weg zwabberde. Uit bloedonderzoek is gebleken dat verdachte een alcoholpromillage had van 2,01 milligram. De officier van justitie wijst erop dat verdachte beginnend bestuurder is, zodat het aan hem verboden is een voertuig te besturen, indien het alcoholpromillage 0,2 milligram overstijgt. Uit de snelheidsbepaling van het NFI volgt dat het snelheidsverschil tussen het voertuig van verdachte en dat van de slachtoffers hoger was dan 63 kilometer per uur. Het Bureau Verkeersongevallenanalyse (VOA) heeft, op grond van de bevindingen van het NFI, in haar rapport geconcludeerd dat verdachte harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid van 120 kilometer per uur. Voorts heeft VOA geconcludeerd dat het reëel is aan te nemen dat ten tijde van de botsing de maximale snelheid van het voertuig van de slachtoffers ongeveer 101 kilometer per uur is geweest. Het voertuig van verdachte kon, gelet op de informatie van de fabrikant, een maximale snelheid van 168 kilometer per uur bereiken. Uit de bevindingen van VOA volgt ten slotte dat verdachte het ongeluk had kunnen vermijden.
Na gerechtelijke sectie heeft de patholoog vastgesteld dat het slachtoffer [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend mechanisch geweld op het lichaam. Hiermee is volgens de officier van justitie het oorzakelijk verband tussen het ongeval en het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer 1] aangetoond. Het slachtoffer [slachtoffer 2] is door deze botsing zozeer gewond geraakt, dat zij tot op heden niet in staat is om haar normale werkzaamheden te hervatten.
Verdachte heeft zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door zijn handelen zouden komen te overlijden. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans op de koop toe genomen. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van bepaalde gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicatie, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. In casu bestaan deze gedragingen uit verdachtes optreden als bestuurder na het nuttigen van een grote hoeveelheid alcohol en zijn rijden met een zo hoge snelheid dat er een snelheidsverschil was van wellicht 63 kilometer per uur tussen zijn voertuig en het voertuig bestuurd door [slachtoffer 1].
3.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Verdachte heeft aangegeven dat hij destijds een black-out heeft gehad en dat hij niet meer weet wat er is gebeurd. Het alcoholgebruik van verdachte is niet aan te wijzen als de oorzaak van het ongeluk. De getuigen hebben verschillend verklaard over de snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden. Uit de informatie van de fabrikant blijkt bovendien dat de auto van verdachte, een Nissan type Note, een maximale snelheid heeft van 167 kilometer per uur. Het is dus niet mogelijk dat verdachte, zoals sommige getuigen hebben verklaard, 200 kilometer per uur reed. Deze getuigenverklaringen zijn onbetrouwbaar. Bovendien verklaren de getuigen, met name getuige [getuige 1], niet consistent over het rijgedrag van de verdachte.
Het NFI heeft bij de snelheidsbepaling enkel brandbreedtes gegeven van de botssnelheden van de bij het ongeval betrokken voertuigen. Deze bandbreedtes zijn berekend aan de hand van de enkele verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2], dat haar vriend [slachtoffer 1] ten tijde van het ongeval een snelheid aanhield van tussen de 100 en 120 kilometer per uur. Het NFI heeft bij haar berekening een snelheid van 100 kilometer per uur gehanteerd. De raadsman wijst er op dat het NFI een andere bandbreedte zou hebben berekend, indien deze een andere variabele zou hebben ingevoerd als snelheid van het door [slachtoffer 1] bestuurde voertuig. Dit is relevant omdat alleen de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het voertuig van [slachtoffer 1] dezelfde snelheid had als zijn eigen voertuig. Daarbij komt dat het NFI bij de berekening van de botssnelheid geen rekening heeft gehouden met de maximumsnelheid van het door verdachte bestuurde voertuig. Een ander bezwaar tegen de inhoud van het rapport van het NFI is het feit dat de bevindingen niet objectief controleerbaar zijn.
Het VOA-rapport leunt vervolgens zwaar op de bevindingen van het NFI. De gegevens uit beide rapporten kunnen niet leiden tot de conclusie dat verdachte met een te hoge snelheid heeft gereden. De oorzaak van de aanrijding kan niet worden vastgesteld. Voorts is het rijgedrag van [slachtoffer 1] niet onderzocht. Het is niet onmogelijk dat de botsing is veroorzaakt, doordat [slachtoffer 1] met zijn voertuig plotseling sterk heeft geremd, bijvoorbeeld doordat abusievelijk is teruggeschakeld van de vijfde naar de tweede versnelling.
Uit de sectiebevindingen van het NFI op het slachtoffer [slachtoffer 1] volgt niet zonder meer dat elke andere oorzaak dan het ongeval als oorzaak voor diens dood moet worden uitgesloten. De bevindingen, zoals weergegeven in het NFI-rapport, zijn suggestief en laten gerede twijfel bestaan.
Uit de omstandigheden van het geval kan niet worden afgeleid dat verdachte willens en wetens een aanmerkelijke kans op het thans ingetreden gevolg heeft aanvaard. Om dat te kunnen aannemen is de combinatie van enigszins slingerend rijden, terwijl het voertuig zich voortbeweegt met een snelheid van circa 140 kilometer per uur, onvoldoende. De raadsman verwijst naar jurisprudentie om dit standpunt te staven (Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 10 april 2012, LJN BW1037 en Hoge Raad 4 december 2012, LJN BY2823). Op grond van deze jurisprudentie komt de raadsman tevens tot de conclusie dat de feitelijke omstandigheden van dit geval niet voldoende zijn om te oordelen tot roekeloosheid of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, zoals subsidiair is ten laste gelegd.
Tot slot wijst de raadsman op het feit dat het letsel dat aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht, niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.
3.3 Het oordeel van de rechtbank
Op 7 januari 2012 omstreeks 23:39 uur heeft er op de A2, in de gemeente Sittard-Geleen, een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval was betrokken een personenauto, merk Nissan type Note, met Belgisch kenteken XXXXXXX. Deze personenauto werd bestuurd door verdachte. Tevens was hierbij betrokken een personenauto, merk Rover, type 200, met kenteken XX-XX-XX. Deze personenauto werd bestuurd door [slachtoffer 1]. Als passagier bevond [slachtoffer 2] zich voorin in de auto. Het slachtoffer [slachtoffer 1] overleed ter plaatse, direct na het ongeval, terwijl het slachtoffer [slachtoffer 2] gewond is geraakt. Verdachte werd na het ongeval in zijn voertuig aangetroffen, terwijl hij enkel gekleed was in een herenslip en een jack.