ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ3301
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vakantieopbouw en verlofregeling bij langdurige ziekte van ambtenaar
Eiseres, werkzaam bij de politieregio Limburg-Noord, was langdurig ziek vanaf 2009. Verweerder besloot in oktober 2010 dat zij na 26 weken ziekte geen verlof meer opbouwde en kortte haar verlofsaldo met terugwerkende kracht. Eiseres maakte bezwaar tegen de verlofoverzichten over 2010 en 2011, stellende dat niet duidelijk was dat zij conform de Europese richtlijn vier weken verlof kreeg.
De rechtbank stelde vast dat de verlofoverzichten geen formele besluiten zijn en dat het bezwaar van eiseres als verzoek tot herziening van het eerdere besluit moest worden gezien. Verweerder handhaafde zijn besluit, waarbij hij een kleine correctie toepaste op het verlofsaldo. De rechtbank oordeelde dat dit in lijn is met de Richtlijn 2003/88/EG en het arrest Schultz-Hoff en Stringer, dat een minimumgarantie van vier weken vakantie per jaar met behoud van loon voorschrijft, ook bij langdurige ziekte.
De rechtbank verwierp het betoog van eiseres dat het restantverlof van een vorig jaar niet mag meetellen bij de minimumaanspraak en dat verblijf in het buitenland tijdens ziekte niet als vakantie geldt. De werkgever had volgens de rechtbank correct gehandeld en de vakantieopbouw juist berekend. Ook werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat dit niet tijdig was ingediend.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Limburg op 25 februari 2013.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard; de werkgever heeft de vakantieopbouw correct toegepast.