ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ4211

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
82.188581.12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2 Wet milieubeheerArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 2 Wet op de economische delictenArt. 6 Wet op de economische delictenArt. 2.18 Omgevingsverordening Limburg
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs en strijdigheid strafbepaling Omgevingsverordening Limburg

Verdachte werd ten laste gelegd dat zij in 2011 grondwerkzaamheden had verricht in een graft binnen het bodembeschermingsgebied Mergelland, in strijd met de Omgevingsverordening Limburg. De officier van justitie vorderde een geldboete van € 500,- of subsidiair 10 dagen hechtenis.

Tijdens de zitting ontkende verdachte de grondwerkzaamheden te hebben uitgevoerd of daartoe opdracht te hebben gegeven. Zij verklaarde pas achteraf te hebben vastgesteld dat een stuk was weggegraven en een weg was aangelegd op haar perceel, maar kon niet aangeven wie dit had gedaan. Verdachte gaf aan de graft direct te hebben hersteld en had geen uitzicht op de locatie. Daarnaast werden in de omgeving ook andere grondwerkzaamheden verricht, waardoor het voor haar niet duidelijk was dat er op haar perceel werd gewerkt.

De economische politierechter achtte de verklaring van verdachte niet onaannemelijk en vond het bewijs onvoldoende om de tenlastelegging wettig en overtuigend vast te stellen. Tevens oordeelde de politierechter dat de strafbepaling in de Omgevingsverordening Limburg, die overtreding van artikel 2.18 als strafbaar feit aanmerkt, in strijd is met artikel 1a van de Wet op de economische delicten, waardoor deze strafbepaling buiten toepassing moet blijven. De eerder opgelegde strafbeschikking werd vernietigd en verdachte werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en strijdigheid van de strafbepaling in de Omgevingsverordening Limburg met de Wet op de economische delicten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Sector Strafrecht
Zittingsplaats Maastricht
Parketnummer: 82.188581.12
Datum uitspraak: 13 maart 2013
vonnis van de economische politierechter Maastricht, in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboortegegevens verdachte],
wonende aan de [adresgegevens verdachte].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 februari 2013.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 6 juni 2011, in elk geval in het jaar 2011, in de gemeente Eijsden-Margraten, al dan niet opzettelijk, in een graft, gelegen binnen het bodembeschermingsgebied Mergelland grondwerkzaamheden heeft uitgevoerd, door toen daar een inrit of weg aan te leggen;
De bewijsbeslissing
De economische politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een geldboete op te leggen van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis.
De economische politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De economische politierechter overweegt hiertoe dat verdachte, eigenaar van het perceel aan de [adres], alwaar de graft die is aangetast is gelegen, ontkent dat zij grondwerkzaamheden in de graft heeft gepleegd of daartoe opdracht of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Eerst achteraf heeft ze geconstateerd dat een heel stuk was weggegraven en er een weg was aangelegd op haar perceel. Zij wil niet zeggen wie dat heeft gedaan. Ze geeft aan de graft meteen te hebben hersteld.
Verdachte heeft aangegeven dat zij vanuit haar woning, waar ze in die tijd al niet meer vaak verbleef, geen uitzicht had op de locatie waar de graft is aangetast. Bovendien werden destijds nabij de locatie van haar perceel waarop de graft is gelegen, ook andere grondwerk-zaamheden uitgevoerd in verband met de riolering en de aanleg van een stoep. Verder heeft ook het waterschap in die tijd aldaar grondwerkzaamheden verricht, zodat het voor haar niet evident kenbaar is geweest dat grondwerkzaamheden op haar perceel werden verricht.
De economisch politierechter acht de verklaring van verdachte niet onaannemelijk, zodat zij bij gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken.
Over de strafbaarheid
De economische politierechter merkt verder ten overvloede nog het volgende op over de strafbaarheid van het verweten feit.
Ingevolge Hoofdstuk 2, paragraaf 3, artikel 2.18, tweede lid, aanhef en onder f, van de Omgevingsverordening Limburg, is het verboden in het Bodembeschermingsgebied Mergelland buiten een inrichting, voor zover hier relevant, in een graft grondwerkzaamheden uit te voeren, behalve voor herstel en onderhoud van de graft.
De Omgevingsverordening Limburg, die op 1 januari 2011 in werking is getreden (Provinciaal Blad, Jaargang 2010, nr. 86), is een samenvoeging van de eerdere Provinciale Milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening, die met de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingetrokken.
Bij de bekendmaking van de Omgevingsverordening Limburg is vermeld dat, voor zover hier relevant, de wettelijke grondslag voor het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening Limburg, artikel 1.2 van de Wet milieubeheer is. Dat betekent dat artikel 2.18 van de Omgevingsverordening Limburg is gebaseerd op artikel 1.2 van de Wet milieubeheer.
Overtreding van voorschriften bij of krachtens artikel 1.2, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, is - voor zover aangeduid als strafbare feiten - ingevolge artikel 1a, onder 1 juncto artikel 2 en Pro 6 van de Wet op de Economische Delicten (hierna:WED) als economisch delict strafbaar gesteld.
De economische politierechter stelt vast dat in de Omgevingsverordening Limburg – anders dan in artikel 9.1 van de voorheen geldende Provinciale Milieuverordening – geen bepaling is opgenomen die regelt dat het handelen in strijd met in die bepaling nader genoemde voorschriften van de Omgevingsverordening Limburg, een strafbaar feit is.
De economische politierechter stelt verder vast dat in artikel 8.1 van de Omgevingsverordening Limburg is bepaald dat handelen in strijd met, voor zover hier relevant, artikel 2.18, gestraft wordt met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Deze strafbepaling, die impliceert dat overtreding van artikel 2.18 van de Omgevingsverordening Limburg, aangemerkt wordt als een (commuun) strafbaar feit, is naar het oordeel van de economische politierechter in strijd met het bepaalde in artikel 1a, onder 1 van de WED, hetgeen er toe leidt dat artikel 8.1 van de Omgevingsverordening Limburg bij een bewezenverklaring buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
Dat zou betekenen dat bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, ontslag van rechtsvervolging zou moeten volgen, nu het feit in dat geval niet als een (economisch) strafbaar feit zou kunnen worden gekwalificeerd.
DE UITSPRAAK
De economische politierechter:
- vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking en beslist als volgt;
- spreekt verdachte van het ten laste gelegde vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
C.M.W. Nobis, economische politierechter, in tegenwoordigheid van M. Romme, griffier,
en is uitgesproken op 13 maart 2013.