ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ4211
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs en strijdigheid strafbepaling Omgevingsverordening Limburg
Verdachte werd ten laste gelegd dat zij in 2011 grondwerkzaamheden had verricht in een graft binnen het bodembeschermingsgebied Mergelland, in strijd met de Omgevingsverordening Limburg. De officier van justitie vorderde een geldboete van € 500,- of subsidiair 10 dagen hechtenis.
Tijdens de zitting ontkende verdachte de grondwerkzaamheden te hebben uitgevoerd of daartoe opdracht te hebben gegeven. Zij verklaarde pas achteraf te hebben vastgesteld dat een stuk was weggegraven en een weg was aangelegd op haar perceel, maar kon niet aangeven wie dit had gedaan. Verdachte gaf aan de graft direct te hebben hersteld en had geen uitzicht op de locatie. Daarnaast werden in de omgeving ook andere grondwerkzaamheden verricht, waardoor het voor haar niet duidelijk was dat er op haar perceel werd gewerkt.
De economische politierechter achtte de verklaring van verdachte niet onaannemelijk en vond het bewijs onvoldoende om de tenlastelegging wettig en overtuigend vast te stellen. Tevens oordeelde de politierechter dat de strafbepaling in de Omgevingsverordening Limburg, die overtreding van artikel 2.18 als strafbaar feit aanmerkt, in strijd is met artikel 1a van de Wet op de economische delicten, waardoor deze strafbepaling buiten toepassing moet blijven. De eerder opgelegde strafbeschikking werd vernietigd en verdachte werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en strijdigheid van de strafbepaling in de Omgevingsverordening Limburg met de Wet op de economische delicten.