ECLI:NL:RBLIM:2013:CA0865

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB 12/11493
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens rechtmatig verblijf na voorlopige voorziening

Eisers hadden beroep ingesteld tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) waarin hun aanvragen voor een toelage op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) waren afgewezen wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.

Tegelijkertijd maakten eisers bezwaar tegen de weigering van verblijfsvergunningen voor het uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro en vroegen zij voorlopige voorzieningen om uitzetting te voorkomen. De voorzieningenrechter wees deze voorlopige voorzieningen toe, waardoor eisers opnieuw rechtmatig verblijf verkregen.

Naar aanleiding hiervan trok het COA de eerdere besluiten in en kende alsnog uitkeringen toe. Eisers trokken daarop hun beroepen in en verzochten om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking niet het gevolg was van een tegemoetkoming van het bestuursorgaan zelf, maar van een rechterlijke uitspraak in een andere procedure tegen een ander bestuursorgaan. Daarom was artikel 8:75a Awb niet van toepassing en wees de rechtbank de verzoeken om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Verzoeken om proceskostenvergoeding worden afgewezen omdat de intrekking van het beroep niet het gevolg is van een tegemoetkoming door het bestuursorgaan zelf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 12 / 11493, AWB 12 / 11947, AWB 12 / 19541, AWB 12 / 22364, AWB 12 / 22365, AWB 12 / 22366 en AWB 12 / 22367
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2013 in de zaak tussen
[eiser] en haar minderjarige kinderen [eisers], eisers
(gemachtigde mr. P.H. Hillen),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan asielzoekers (COA), verweerder.
Overwegingen
1. Bij besluiten van 21 maart 2012, 14 juni 2012, 27 juni 2012, 5 juli 2012 en 5 september 2012 heeft verweerder de aanvragen van eisers voor een toelage op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) voor de maanden januari tot en met mei 2012 afgewezen omdat eisers ten gevolge van besluiten van 29 november 2011, waarbij hun aanvragen tot verlening van verblijfsvergunningen met als doel “uitoefenen gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro” door het bevoegde bestuursorgaan zijn afgewezen, niet langer beschikten over rechtmatig verblijf.
2. Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.
3. Voorts hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de weigering aan hen verblijfsvergunningen met als doel “uitoefenen gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro” te verlenen en hebben zij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorzieningen uitzetting te verbieden tot op de bezwaren is beslist. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers AWB 11 / 38594, AWB 11 / 38595, AWB 11 / 40731 en AWB 11 / 40732.
4. Bij brieven van 22 augustus 2012 en 24 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) zich op het standpunt gesteld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van hetgeen in voormelde verzoekschriften is verzocht. De voorzieningenrechter heeft geen termen aanwezig geacht om anders te beslissen dan door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel is verzocht en heeft de voorlopige voorzieningen op 27 augustus 2012 toegewezen, in die zin dat eisers de beslissing op hun bezwaarschriften in Nederland mogen afwachten.
5. Als gevolg van de toewijzing van de voorlopige voorzieningen hebben eisers opnieuw rechtmatig verblijf verkregen.
Gelet hierop heeft verweerder bij besluiten van 13 september 2012 en 19 september 2012 de onder 1 genoemde besluiten ingetrokken en besloten dat eisers over de periode van januari 2012 tot en met juli 2012 alsnog recht hebben op een uitkering op grond van de Rvb.
6. Eisers hebben hierop bij faxbericht van 9 oktober 2012 meegedeeld dat zij de ingestelde beroepen intrekken. Daarbij hebben zij verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
7. Gelet op het bepaalde in artikel 8:75a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Van deze gelegenheid heeft verweerder bij schrijven van 22 oktober 2012 gebruik gemaakt.
Eisers hebben hierop bij faxbericht van 30 oktober 2012 een reactie ingezonden. Vervolgens is van de zijde van verweerder op 15 november 2012 een reactie ontvangen, waarop namens eisers is gereageerd bij faxbericht van 20 november 2012. In laatstgenoemd schrijven hebben eisers toestemming gegeven om met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb de behandeling ter zitting achterwege te laten. Verweerder heeft vervolgens bij schrijven van 26 november 2012 eveneens toestemming verleend om de behandeling ter zitting achterwege te laten, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en de uitspraak heeft bepaald op heden.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan ingevolge het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien de rechtbank van die bevoegdheid gebruik maakt dient zij daarbij het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in acht te nemen.
10. De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 8:75a van de Awb bedoelde situatie zich hier niet voordoet. De rechtbank kan enkel aan een proceskostenveroordeling toekomen indien de intrekking van de beroepen door eisers plaatsvinden wegens een (gedeeltelijke) tegemoetkoming door het bestuursorgaan. Echter in de onderhavige zaken is verweerder tot zijn besluiten van 13 september 2012 en 19 september 2012, inhoudende het alsnog toekennen van een uitkering op grond van de Rvb, gekomen, als gevolg van de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Zodoende ligt aan de besluiten van verweerder geen besluit van het bestuursorgaan dat de in beroep bestreden besluiten heeft genomen ten grondslag. In dat geval kan daarom niet gezegd worden dat verweerder aan eisers tegemoet is gekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank verwijst in dit verband nog in navolging van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2012 (zaaknummer 201207356/3/V1, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), waarin onder meer is overwogen dat aan de mededeling van het COA dat de vreemdeling in die zaak opvang zal worden verleend een besluit van een ander bestuursorgaan ten grondslag ligt en niet een door de vreemdeling aangevoerde grond. Vervolgens overweegt de Afdeling dat zich daarom geen situatie voordoet waarin het COA is tegemoetgekomen aan de vreemdeling in de zin van artikel 8:75a van de Awb.
Het standpunt van eisers dat deze uitspraak niet op onderhavige zaak van toepassing is nu het in onderhavige zaak gaat om een procedure op grond van de Rvb en niet op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005,) zoals in de uitspraak van de Afdeling, leidt niet tot een ander oordeel. Waar het immers om gaat is dat het ook in de uitspraak van de Afdeling gaat om een door verweerder genomen besluit, welk besluit enkel wordt genomen als gevolg van een in die zaak door een ander bestuursorgaan genomen besluit. In de onderhavige zaak heeft de voorzieningenrechter in procedures jegens een ander bestuursorgaan een uitspraak ten gunste van eisers gedaan die tot gevolg heeft dat eisers wederom rechtmatig verblijf hebben verkregen en waardoor verweerder alsnog aan eisers een uitkering op grond van de Rvb heeft verstrekt. Die situaties acht de rechtbank, anders dan eisers, zeer wel vergelijkbaar. Het door eisers gemachtigde gestelde omtrent de eventuele toepasselijkheid van artikel 8:75 van Pro de Awb en het gestelde omtrent de gegrondheid van het in de beroepen aangevoerde kan niet tot een ander oordeel leiden nu de beroepen immers zijn ingetrokken en als gevolg daarvan enkel nog de beoordeling als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb aan de orde kan zijn.
11. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de verzoeken om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Beslissing
De rechtbank wijst de verzoeken om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2013.
w.g. mr. E. van Rie,
griffier w.g. mr. F.H. Machiels,
rechter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 18 maart 2013
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.