Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de brief van 10 december 2014 met producties 1 tot en met 4 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [gedaagde].
2.De feiten
31 januari 2014 is getekend. De relevante bepaling in deze overeenkomst luidt als volgt:
- De extra gemeentegrond op de kopse kanten van de locatie, die door de verplaatsing van de muur beschikbaar komt, kan door de desbetreffende huurders die wonen in de buitenste woningen, in bruikleen worden genomen. De extra aanplant en het verplaatsen van de huidige aanplant komen voor rekening van de huurder en de bijbehorende werkzaamheden zullen ook door de huurders zelf uitgevoerd worden. Alvorens de planten worden verzet zal de gemeente de erfgrens uitzetten. De achterzijde van de (volwassen) haag mag de erfgrens niet overschrijden. Daarom moeten de planten ca 30 cm uit de erfgrens worden gepoot. Deze grond wordt meegenomen in de te sluiten gebruiksovereenkomst voor de zijpercelen.
- (…)”
14 dagen de schutting af te breken en om de gebruiksovereenkomst binnen die termijn ondertekend retour te zenden, bij gebreke waarvan [gedaagde] het gebruik van het perceel diende te beëindigen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 13,50 per maand vanwege de geriefverbetering als gevolg van het verplaatsen van de muur naar achteren. Niet valt in te zien dat [gedaagde] er dan vanuit mocht gaan dat hij voor het stuk grond aan de zijkant dat aan de gemeente Weert toebehoort niets hoefde te betalen. Het enkele feit dat [gedaagde] met de buurtbewoners na het verwijderen van de zijmuren alvast gebruik zijn gaan maken van de strook grond maakt het voorgaande niet anders. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bruikleenovereenkomst.
816,00