Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[verdachte],
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Beslissing
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering.
Rechtbank Limburg
De officier van justitie diende een vordering in tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, gebaseerd op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt vast dat artikel 14g Sr betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van straffen en niet op maatregelen zoals de ISD-maatregel.
Voor de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel is artikel 38r Sr van toepassing, dat een andere procedure voorschrijft, namelijk behandeling in openbare raadkamer in plaats van ter terechtzitting. Deze procedurevereiste was niet gevolgd in de ingediende vordering.
De raadsman van de verdachte voerde een preliminair verweer tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, dat door de rechtbank werd gevolgd. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering zoals die was ingediend.
De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Limburg te Maastricht op 5 december 2014, waarbij mr. C.C.W.M. Aretz niet in de gelegenheid was de beslissing mede te ondertekenen.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.