De rechtbank Limburg behandelde een zaak waarin verdachte werd vervolgd voor mensenhandel met betrekking tot twee feiten. Feit 1 betrof het aanwerven en medenemen van slachtoffers met het oogmerk seksuele uitbuiting, waarvoor het openbaar ministerie aanvankelijk een sepotbeslissing had genomen. De rechtbank oordeelde dat door deze sepotbeslissing bij verdachte een gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat hij niet zou worden vervolgd, waardoor het OM niet ontvankelijk was in de vervolging van feit 1.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van een medeverdachte geen nieuwe feiten bevatten die de herroeping van het sepot rechtvaardigen. De rechtbank bevestigde dit en wees het verweer van het OM af dat de sepotbeslissing was opengebroken op basis van deze verklaringen.
Ten aanzien van feit 2, waarbij verdachte werd beschuldigd van het samen met anderen aanwerven en medenemen van een slachtoffer voor prostitutie, concludeerde de rechtbank dat er onvoldoende wettig bewijs was dat verdachte wist dat het slachtoffer in de prostitutie zou gaan werken. De verklaringen waren tegenstrijdig en het dossier ontbrak cruciale bewijsstukken. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van feit 2.
De rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk voor feit 1 en sprak verdachte vrij van feit 2, waarmee de vervolging in deze zaak werd beëindigd.