In deze strafzaak speelde het verhoor van een cruciale getuige een centrale rol bij de bewijsvorming tegen verdachte. De verdediging had verzocht om de getuigen in aanwezigheid van de verdediging te horen, maar de officier van justitie liet de getuige op 5 en 6 november 2013 door de politie verhoren zonder medeweten van de rechtbank en de verdediging. Dit verhoor vond plaats buiten aanwezigheid van de verdediging en voorafgaand aan het geplande verhoor bij de rechter-commissaris.
De rechtbank oordeelde dat deze handelwijze geen parallelle opsporing betrof, maar een onrechtmatige inmenging van het openbaar ministerie in het onderzoek van de rechter-commissaris. De officier van justitie had bewust de verdediging en rechtbank niet geïnformeerd en de verdediging uitgesloten van deze verhoren, ondanks herhaaldelijke bezwaren. Dit leidde tot een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde en aantasting van het wettelijk systeem in de kern.
De rechtbank toetste dit aan het Zwolsman- en Karman-criterium en concludeerde dat het vormverzuim onherstelbaar was en het recht van verdachte op een eerlijk proces ernstig was geschaad. De waarheidsvinding werd hierdoor ernstig bemoeilijkt. Gezien de ernst van het verzuim, het belang van het geschonden voorschrift en het nadeel voor verdachte, werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.