AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen politierechter wegens vermeende partijdigheid
Verzoeker heeft tijdens een zitting van de politierechter verzocht om erkenning als soeverein persoon en vervolgens de rechter gewraakt op grond van vermeende onpartijdigheid en de ongrondwettige status van de Nederlandse regering sinds 1940.
De rechter en de officier van justitie hebben schriftelijk verklaard dat er geen sprake was van partijdigheid of schijn daarvan. De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van subjectieve en objectieve criteria voor rechterlijke onpartijdigheid.
De kamer erkent de geldigheid van artikel 6 vanPro de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, maar constateert dat de rechter de legitimiteit van dit artikel niet heeft betwist en geen aanwijzingen voor partijdigheid vertoonde.
De wrakingskamer concludeert dat het verzoek niet slaagt en wijst het af, waarbij wordt benadrukt dat het betwisten van het rechtssysteem geen grond voor wraking vormt.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Datum uitspraak: 27 maart 2014
Zaaknummer: 03/188535/ HA RK 14-24 Roermond
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken
in de zaak van
[verzoeker], (hierna: verzoeker), te [woonplaats],
indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:
mr. J.S. Holthuis (hierna: de politierechter of de rechter).
Procesverloop
1.
Ter terechtzitting van de politierechter op 6 maart 2014 heeft verzoeker in de zaken met parketnummers [zaaknummer 1] en [zaaknummer 2] verzocht om erkenning als soeverein persoon alvorens de rechter uitspraak doet. De rechter heeft medegedeeld dat zij voornmens is uitspraak te doen en vervolgens heeft verzoeker de rechter gewraakt.
2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van verzoekers zaak is aan verzoeker en aan de officier van justitie, mr. E. Heldens, gestuurd.
3.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 20 maart 2014 ter zitting behandeld. Bij deze behandeling is verzoeker verschenen.
De gronden van het wrakingsverzoek
4.
Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij niet als mens erkend zou zijn. Hij beroept zich op de Universele verklaring van de rechten van de mens. Ter zitting heeft hij toegelicht dat de ongrondwettige status van de Nederlandse regering sinds 1940 nooit is hersteld en dat verzoeker op geen enkele wijze kan worden gehouden aan deze ongeautoriseerde en illegale machtsuitoefening.
Het standpunt van de rechter
5.
De rechter heeft schriftelijk verklaard dat zij zich op geen enkel moment tijdens de behandeling van de zaken tegen verzoeker partijdig heeft opgesteld, dat in het proces-verbaal helder uiteen is gezet wat er op de zitting heeft plaatsgevonden en dat zij daaraan niets heeft toe te voegen.
Het standpunt van de officier van justitie
6.
De officier van justitie heeft schriftelijk verklaard dat verzoeker correct is behandeld en dat er op geen enkel moment sprake is geweest van partijdigheid of een schijn van partijdigheid.
De beoordeling van het verzoek
7.
De wrakingskamer dient te beoordelen of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de – ook objectief gerechtvaardigde – conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.
8.
Voorop gesteld zij dat de wrakingskamer de geldigheid van het door verzoeker ingeroepen artikel 6 vanPro de Universele verklaring van de rechten van de mens, inhoudende: Een ieder heeft, waar hij zich ook bevindt, het recht als persoon erkend te worden voor de wet, erkent. Vanuit dat uitgangspunt zal de wrakingskamer beoordelen of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
9.
Voor zover verzoeker het verzoek tot wraking heeft gericht op (de persoon van) mr. Holthuis als politierechter, is de wrakingskamer niet gebleken dat de rechter de geldigheid van (artikel 6 vanPro) de Universele verklaring van de rechten van de mens, door het enkele niet beantwoorden van een vraag van verzoeker, in twijfel heeft getrokken. Ook overigens is de wrakingskamer niet gebleken dat de rechter de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen. Dat de rechter deel uitmaakt van het rechtssysteem waarvan verzoeker kennelijk de legitimiteit betwist, is geen grond voor wraking.
10.
Op grond van vorenstaande overwegingen slaagt het verzoek tot wraking van de rechter dan ook niet.
Beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank verklaart het verzoek tot wraking van mr. J.S. Holthuis ongegrond en wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.P.F. van Dooren (voorzitter), mr. Th.M. Schelfhout en mr. E.V.L. Heuts, bijgestaan door J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op
27 maart 2014.
Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.