Op 21 maart 2010 vond in Neer een incident plaats waarbij meerdere personen betrokken waren bij geweldsuitingen in en nabij een café en bar. Verdachte werd primair beschuldigd van openlijke geweldpleging en subsidiair van mishandeling van meerdere slachtoffers.
De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer aan wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en verwierp dit verweer. De vertraging was grotendeels toe te schrijven aan organisatorische fouten bij het openbaar ministerie en de rechtbank.
De officier van justitie vorderde vrijspraak van openlijke geweldpleging maar stelde dat mishandeling wettig en overtuigend bewezen was, waarvoor een geldboete werd geëist. De verdediging ontkende elke betrokkenheid en stelde dat het bewijs onvoldoende was.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende specifiek en overtuigend was om verdachte te veroordelen. Slechts één slachtoffer wees verdachte aan, terwijl andere verklaringen vaag waren. Gezien de chaotische situatie met veel aanwezigen kon niet worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk geweld heeft gebruikt.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de schadevordering. De kosten van de verdediging werden begroot op nihil.