4.3Het oordeel van de rechtbank
De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.
Feitelijke gebeurtenissen
Verdachte meldt zich op 12 september 2012 op het politiebureau te Venlo. Verbalisanten
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] relaterenhierover – zakelijk weergegeven – het volgende:
“Op 12 september 2012 te 15.50 uur kwam een buitenlandse vrouw aan de balie. Zij deelde mede dat zij inlichtingen wilde hebben omtrent een visum. Door collega [verbalisant 3] van de vreemdelingenpolitie werd ons enkele ogenblikken later medegedeeld dat het niet ging om een visum, doch dat het ging om huiselijk geweld en hij overhandigde ons een brief van huisarts N. Flos. Wij hebben de buitenlandse vrouw meegenomen in een spreekkamer. Zij gaf op te zijn:
[verdachte], geboren [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1], wonende te [adres 1]. Ze vertelde dat ze werd mishandeld door haar man [slachtoffer]. Haar man wilde een einde aan de relatie maken. Zij gaf aan dat ze nog van haar man hield. Plotseling legde zij haar hoofd op de tafel en begon te huilen en zei in de Engelse taal: “I have killed my husband”. Omdat wij twijfelden aan hetgeen zij gezegd had vroegen wij nogmaals in de Engelse taal wat er gebeurd was. Hierop zei zij wederom in de Engelse taal: “I have killed my husband”.”
Verbalisanten [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6] gaan vervolgens ter plaatse en relateren– zakelijk weergegeven – het volgende:
“Op 12 september 2012 kregen wij, verbalisanten, de melding naar de woning aan de [adres 1] te gaan. Ter plaatse zagen wij dat in de slaapkamer een tweepersoonsbed stond. Wij zagen dat aan de rechterzijde van het bed een paarskleurige deken lag. Ik, [verbalisant 4], was van mening dat er iets of iemand onder de deken lag. Wij zagen dat er een voet onder de deken vandaan kwam. Dit betrof de rechtervoet van een persoon. Wij zagen dat de muur achter het bed besmeurd was met roodkleurige vlekken en spetters. Ik zag dat onder de deken een manspersoon lag. Ik zag dat zijn hoofd naar de rechterzijde was gekeerd. Ik zag dat de man aan de rechterzijde van zijn halsstreek een grote gapende wond had. Ik zag tevens dat hij aan de rechterzijde van zijn gezicht ter hoogte van de slaap een diepe wond had. Ik zag dat het gezicht van de man wit van kleur was en dat het hoofd voor een groot gedeelte bedekt was met opgedroogd bloed. Tevens zagen wij dat de rechtermuur en linkermuur van de slaapkamer, het bed, de vloer en de kledingkast besmeurd waren met roodkleurige vlekken en spetters. Gezien alle feiten en omstandigheden had ik, [verbalisant 4], het sterke vermoeden dat de man was overleden.”
Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] relaterenmet betrekking tot het overlijdensonderzoek en de lijkschouw – zakelijk weergegeven – het volgende:
“Op 12 september 2012 werd een sporenonderzoek ingesteld bij de woning [adres 1]. In deze woning was het stoffelijk overschot van een man aangetroffen. Omstreeks 18.00 uur werd het stoffelijk overschot van deze man door mij, verbalisant [verbalisant 7], in beslag genomen (van rechtswege ingevolge de Wet op de Lijkbezorging). De overledenen bleek (later) te zijn genaamd: [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2]. Op 15 september 2012 werd door de aangewezen lijkschouwer, L. Caspers, in het bijzijn van ons in een onderzoeksruimte van het politiemortuarium te Mill een lijkschouw verricht. De bevindingen waren dat de diverse letsels in de hals, nek en op het hoofd passen bij de doodsoorzaak en dat de aangetroffen letsels passen bij een slagwapen, zoals een bijl.”
Op 16 september 2012 werd in het politiemortuarium te Mill aan [zoon slachtoffer 1] en [zoon slachtoffer 2] het in de woning [adres 1] aangetroffen stoffelijk overschot getoond en zij bevestigden dat dit hun vader [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2], betrof.
Het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’opgemaakt door dr. B. Kubat, arts en patholoog, wijst uit dat tijdens de op 16 september 2012 verrichte uit- en inwendige schouwing op het lijk van [slachtoffer] het volgende is gebleken:
“Volgens verkregen inlichtingen van de verbalisant werd deze 66 jaar oud geworden man, na een melding dood, in rugligging aangetroffen. Bij de sectie werden postmortale veranderingen gezien die passen bij een postmortaal interval van enkele dagen. De postmortale veranderingen hebben de beoordeling van met name de details van sommige letsels en van de inwendige organen bemoeilijkt. Er waren tekenen van inwerking van multipel en deels zeer heftig uitwendig mechanisch klievend geweld (1, 3 t/m 8). Gezien de bevindingen sub 8 was het geweld bij leven toegepast. Met name de letsels voor in de hals waren zeer ernstig. In het kader van deze letsels was de halsslagader rechts gekliefd (4), hetgeen zondermeer en snel tot een fatale verbloeding heeft geleid. De bevindingen sub 9 passen bij verbloeding. Ook de onderbreking van de wervelkolom en het ruggenmerg (1) was ernstig en heeft geleid tot een dwarslaesie en in de acute fase (periode na het ontstaan) mogelijk tot een zogenaamde “spinale shock”. De letsels aan het hoofd (3, 5) hebben weliswaar niet geleid tot beschadiging van de hersenen maar kunnen eventueel hebben geleid tot een vermindering of verlies van handelingsbekwaamheid ten gevolge van een hersenschudding. Het letsel J, sub 5 en mogelijk een van de letsels beschreven bij B sub 6, waren in tegenstelling tot de overige huidklievingen die twee spitse uiteinden hadden, anders van vorm. Het letsel J met zekerheid, en het letsel aan de elleboog sub 5 mogelijk, waren het gevolg van inwerking van uitwendig klievend/perforerend geweld opgeleverd door een vlak, hard en eenzijdig snijdend voorwerp, waarbij met name de karakteristieken van het letsel kunnen passen bij een eenzijdig snijdend mes. Andere scherprandige voorwerpen kunnen echter niet worden uitgesloten. De letsels sub 7 waren klein en hebben geen bijdrage geleverd aan het overlijden. Zij waren veroorzaakt, gelet op de vorm, door een puntig voorwerp of een puntig deel van een voorwerp. Met name één van deze letsels had een meerhoekige vorm, die mogelijk daarop wijst dat dit letsel door een meerhoekig, puntig voorwerp was toegebracht. Een exacte beoordeling van deze letsels werd echter bemoeilijkt door de postmortale veranderingen. Er waren (op grond van de bij de sectie tot dusver verkregen informatie en voor zover beoordeelbaar in verband met de postmortale veranderingen) geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn. Conclusie: het overlijden van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], wordt verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van zeer veel letsels (klievingen) met name in de hals.”
Verbalisant [verbalisant 7] relateertmet betrekking tot het tijdstip van overlijden
– zakelijk weergegeven – als volgt:
“Ter bepaling van het tijdstip van overlijden werden door de forensische arts, L. Caspers, temperatuurmetingen verricht. De navolgende temperaturen werden op 12 september 2012 om 19.52 uur gemeten: lichaamstemperatuur 26,6 C en omgevingstemperatuur 19,4 C. Het lichaamsgewicht bedroeg, vastgesteld voor de sectie, 85 kg. Het Nomogram van Henssge gaf een verwacht tijdstip van overlijden aan op 11 september 2012, omstreeks 03.15 uur. In het Nomogram van Henssge is een correctiefactor voor de gedragen kleding en de ligging van het slachtoffer onder een dekbed toegepast. Volgens het Nomogram van Henssge is het voor 95% aannemelijk dat het tijdstip van overlijden ligt tussen 10 september 2012 te 22.45 uur en 11 september 07.45 uur.”
In het aanvullend rapport betreffende forensisch antropologisch onderzoekaan het lichaam van [slachtoffer], opgemaakt door drs. R.R.R. Gerretsen, arts-forensisch antropoloog, zijn de volgende bevindingen weergegeven:
“ In het bij sectie veiliggestelde schedeldak bevinden zich minimaal vier gewelds-inwerkingen. In de bij sectie veiliggestelde rechter elleboog bevindt zich één gewelds-inwerking. In het bij sectie veiliggestelde deel van de onderkaak bevindt zich één gewelds-inwerking. In totaal bevinden zich in het bij sectie veiliggestelde botmateriaal minimaal zes geweldsinwerkingen indien de beschadigingen zijn veroorzaakt door een langwerpig, vlak, hard en scherprandig voorwerp.”
Verdachteverklaart op 12 september 2012 om 21.30 uur – zakelijk weergegeven – als volgt:
“Op 10 september 2012 heeft mijn man tegen mij gezegd dat hij van mij wilde scheiden en het visum niet wilde verlengen. Ik was daar verdrietig om. Hij ging naar buiten zonder iets tegen mij te zeggen. Toen hij terugkwam snauwde hij tegen mij. Hij kleedde zich vervolgens goed aan en liep weg. Om half zeven ’s avonds was hij terug. Om 01.00 uur kwam hij naar bed. Hij duwde me weg toen ik dichter bij hem wilde gaan liggen. Het deed mij pijn in mijn hart en daarom gebruikte ik een bijl om hem te doden. Ik ben uit bed opgestaan en heb de bijl gepakt. Ik heb hem gehakt met de bijl. Toen ik hem met de bijl sloeg, viel hij meteen om. Hij bewoog niet. Ik pakte de deken om hem te bedekken. Ik nam de bijl mee naar de badkamer en wilde me douchen. Ik wilde vandaag zelf in het water springen en toen heb ik de bijl in het water gegooid. Dat was voordat ik naar de politie ging.”
Vervolgens wordt op 14 september 2012 op aanwijzen van verdachte de betreffende handbijl aangetroffen in de rivier de Maas, ter plaatse gelegen ter hoogte van de St. Urbanusweg-Maaskade te Venlo.
[zoon slachtoffer 2], zoon van het slachtoffer, verklaart over de relatie tussen zijn vader en verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
“Ik kan zeggen dat mijn vader al enkele weken de messen van de keuken had opgeborgen en dat mijn vader de ketting op de deur deed, zodat zij niet ongemerkt binnen zou komen. Mijn vader heeft mij 10 september 2012 gebeld en hij vertelde toen over de procedure die was in gegaan om haar uit te zetten. Tussen de twee en drie maanden geleden heeft mijn vader mij wel al verteld dat het niet goed ging in de relatie, omdat zij weer verviel in haar oude patroon. Mijn vader is als het ware gevlucht voor haar. Hij vertelde dat hij zich niet meer veilig voelde in Thailand. [voornaam verdachte] had al een paar keer met een keukenmes voor hem gestaan en hem van van alles en nog wat beschuldigd. [voornaam verdachte] had een soort van ziekelijke jaloezie. Mijn vader vertelde dat hij de keukenmessen hoog in de kast had opgeborgen, omdat [voornaam verdachte] er dan niet bij zou kunnen.”
[zoon slachtoffer 1], zoon van het slachtoffer, verklaart over de relatie tussen zijn vader en verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
“In het late voorjaar van 2010 kon ik mijn vader in Thailand niet meer bereiken. Ik kreeg een telefoontje van mijn vader die in Grubbenvorst was. Mijn vader vertelde dat hij zich niet meer veilig voelde bij [voornaam verdachte] in Thailand. Zij was ziekelijk jaloers. [voornaam verdachte] had mijn vader bedreigd met een mes. Begin juli 2012 had mijn vader het er al over dat het in november al niet goed ging en dat hij het liefst een punt achter de relatie wilde zetten. Hij bleek ook al regelmatig naar de Vreemdelingenpolitie te zijn geweest om het probleem met [voornaam verdachte] daar voor te leggen. Hij sprak met hen over de situatie en vroeg om oplossingen. Hij voelde zich niet veilig. In het laatste telefoongesprek dat wij hadden, zei hij dat hij de leges voor [voornaam verdachte] niet had betaald. Toen was er voor de IND een aanleiding om het dossier te lichten. Op die dag, 27 augustus 2012, heeft mijn vader tegen [voornaam verdachte] gezegd: “I want to finish. It’s no use. It is always up and down”. Hij vertelde dat hij dacht dat [voornaam verdachte] er daarvoor al lucht van had. Mijn vader vertelde dat hij de deur zou barricaderen om te voorkomen dat [voornaam verdachte] ongemerkt binnen zou komen en hem iets aan zou kunnen doen, althans zonder dat mijn vader daar iets van zou merken. Mijn vader had daarom alle messen in huis opgeborgen. [voornaam verdachte] had mijn vader ook in Nederland al met een mes bedreigd.”
Uit nader onderzoek naar aanleiding van deze verklaringen blijkt het volgende:
Verbalisant [verbalisant 9]relateert met betrekking tot de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] – zakelijk weergegeven – het volgende:
“In de bergruimte op de gang van het appartement lag op de bovenste plank, weggestopt achter wat spullen, een grote opgevouwen boodschappentas. Hierin zaten vier messen. Tevens lag in de keuken, in een hoog klapkastje boven de afzuigkap, een groot koksmes/hakmes. Dit mes lag uit het zicht. In de besteklades of ergens anders binnen handbereik lagen geen grote/scherpe messen en geen snij- of koksmessen.”
Verbalisant [verbalisant 10]relateert met betrekking tot de contacten van het slachtoffer met de IND – zakelijk weergegeven - het volgende:
“Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] in de periode van 29 februari 2012 tot en met 5 september 2012 diverse telefonische en schriftelijke contacten had gehad met de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND). Deze contacten handelden over zijn problematische verhouding met zijn Thaise echtgenote [verdachte]. Op 29 februari 2012 heeft [slachtoffer] telefonisch contact met de IND. In het gesprek geeft hij aan, dat [voornaam verdachte], die niet lang geleden haar vergunning tot verblijf heeft ontvangen, zelfmoord wil plegen. Dit herhaalt zij meerdere malen en dreigt ook, als hij niet doet wat zij vraagt, hem neer te steken. Op 5 maart 2012 schrijft [slachtoffer] een brief aan de IND. Hierin vat hij de problematiek die hij heeft met [voornaam verdachte] samen. Hij heeft het onder andere over de ziekelijke jaloezie van [voornaam verdachte]. In de brief is onder andere de navolgende zinsnede opgenomen: ‘Door de veranderingen, die ik wilde bewerkstelligen ontstonden echter nog
grotere problemen. Ze dreigde me te doden (tot nu toe alleen met woorden), daagde me soms uit haar te slaan of te doden, dreigde zichzelf te doden en zei soms dat ze terug wilde naar Thailand.”. Op 19 maart 2012 heeft [voornaam slachtoffer] opnieuw telefonisch contact met de IND. In dit gesprek informeert hij andermaal naar de mogelijkheden voor de beëindiging van zijn relatie met [voornaam verdachte] en de consequenties voor haar, waarbij hij aangeeft, dat [voornaam verdachte] hem met een mes bedreigd heeft en dat hij wil dat [voornaam verdachte] terugkeert naar Thailand, maar dat zij dat niet wil. Op 27 augustus 2012 stuurt [voornaam slachtoffer] een brief naar de IND, waarin hij onder andere het volgende aangeeft: “In de situatie is nog relatief weinig veranderd en voor mij is de relatie over. Ze is nog steeds jaloers, wantrouwend en achterdochtig. Ik zou het liefst zien dat ze teruggaat naar Thailand, maar hoe kan ik dat bewerkstelligen?” Tijdens een telefoon-gesprek dat [voornaam slachtoffer] op 30 augustus 2012 voerde met de IND vertelt hij dat [voornaam verdachte] hem in Thailand een paar keer met een mes heeft bedreigd. Het gesprek gaat verder over de beëindiging van zijn relatie met [voornaam verdachte] waarin hij aangeeft, dat hij een gewelddadige actie van haar vreest als ze verneemt dat ze terug moet naar Thailand. Het telefoongesprek wordt door [voornaam slachtoffer] abrupt beëindigd omdat [voornaam verdachte] plotseling thuiskomt. Op woensdag
5 september 2012 neemt een medewerker van de IND telefonisch contact op met [voornaam slachtoffer], n.a.v. zijn brief van 27 augustus 2012. In dit gesprek komt onder andere aan de orde, dat [voornaam verdachte] hem gezegd zou hebben in reactie op zijn mededeling dat hun relatie over was: “Ik ga het je niet gemakkelijk maken. Ik teken niets”. [voornaam slachtoffer] geeft verder aan, dat hij bang is als hij in bed ligt, dat [voornaam verdachte] hem wat aan zal doen. Hij vraagt de IND-er of hij haar de toegang tot de woning mag ontzeggen, of ’s nachts een ketting op de deur mag doen, omdat hij bang is dat ze ‘s nachts iemand meeneemt om hem iets aan te doen terwijl hij slaapt.”
Verbalisant [verbalisant 11] relateertmet betrekking tot de camerabeelden van de Praxis te Venlo – zakelijk weergegeven – het volgende:
“Bij het bekijken van de beelden van 5 september 2012 zag ik omstreeks 15.35 uur een vrouw met een soort rugzak in de handen de winkel binnenkomen en betreden. Omstreeks 15.41 uur is te zien dat zij bij de kassa staat. Zij legt iets op de band voor de kassa, rekent vermoedelijk af, pakt iets van de band en stopt het in haar tas. Op de beelden van camera 6 is te zien dat er door de vrouw kennelijk een handbijl wordt afgerekend.”
Verbalisant [verbalisant 12]herkent deze vrouw op de beelden ambtshalve als verdachte.
Verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op 13 september 2012:
“Vanaf februari 2012 is de relatie verslechterd. [voornaam slachtoffer] heeft mij toen geslagen. Op maandagavond 10 september 2012 kwam bij mij het idee dat [voornaam slachtoffer] dood moest. Dat was om ongeveer 10.00 uur ’s avonds, toen ik naar bed ging. Op het moment dat [voornaam slachtoffer] naar bed kwam om 01.00 uur en ik hem wilde vasthouden en hij mij met de elleboog sloeg kwam het in mij op om hem te doden. Samen doodgaan.”
Op 14 september 2012:
“Ik heb [voornaam slachtoffer] met een bijl geslagen omdat er vanaf februari 2012 problemen waren. Het idee heb ik dezelfde dag gekregen dat ik [voornaam slachtoffer] ook heb geslagen. Hij had mij die dag heel erg gepest. Dat was de reden dat ik besloten heb om hem met een bijl te slaan”.
Op 25 september 2012:
“U laat mij een foto van een bijl zien. Dat is de bijl waarmee ik [voornaam slachtoffer] heb geslagen.
V: Via de stickers op de bijl blijkt dat deze bij de Praxis in Venlo is gekocht. Wij zijn nu onderzoek aan het doen hiernaar. Als nu later blijkt dat jij de bijl hebt gekocht, wat betekent dat dan?
A: Nee, ik wil geen antwoord geven.
V: Dat zou betekenen dat jij al eerder plannen had om [voornaam slachtoffer] te doden. Wat kun jij daarop zeggen?
A: Als ik de bijl zelf gekocht had dan zou ik ja zeggen. Ik wil geen antwoord op de vraag geven. Ik heb iets verkeerds gedaan.”
Op 3 oktober 2012:
“Op dat moment, voordat ik naar de winkel ging, heb ik al 2 à 3 dagen van tevoren nagedacht. Ik wilde aan hem vragen om het nog goed te maken. Hij zei toen nee. Op dat moment had ik geen gevoel meer in mij. Ik was op dat moment zo boos, ik werd zo gek, dat ik dood wilde gaan, dat wij met zijn tweeën dood zouden gaan. Ik heb al van tevoren nagedacht of ik het wel of niet zou moeten doen. Doordat [voornaam slachtoffer] zei dat hij wil scheiden en omdat hij dingen tegen mij heeft gezegd. Ik heb [voornaam slachtoffer] gebeld en hij gooide de hoorn neer, ik ging naar de winkel en ik werd helemaal gek. Ik kocht en rekende de bijl af. Dit is de bijl die ik in de Maas heb gegooid en waarmee ik [voornaam slachtoffer] heb gedood.”
Op 24 januari 2013:
“De bijl lag tussen het matras op de slaapkamer. Ik had dat bijl ertussen gelegd. Ik weet niet meer wanneer ik dit bijl daar heb neergelegd, ik dacht op de dag dat ik dit bijl gekocht had.”
Overwegingen rechtbank ten aanzien van de voorbedachte raad
Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm overleg, van bedaard nadenken, voorafgaand aan de uitvoering. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “met voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopvatting, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Bij de vraag of er sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte ook gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in zo’n geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hiervoor bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Vorenstaande is al geruime tijd vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er in onderhavige zaak voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] niet alleen opzettelijk van het leven heeft beroofd, maar dat zij dat ook - zoals ten laste gelegd - met voorbedachte raad heeft gedaan.
Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank - anders dan de raadsman - van oordeel dat de daad het gevolg is geweest van een enige tijd tevoren reeds door verdachte genomen besluit en dat onder genoemde omstandigheden van het willens en wetens met een vooropgezet plan handelen door verdachte kan worden gesproken. Immers heeft verdachte verklaard dat op 10 september 2012 het idee bestond dat het slachtoffer dood moest. Eerder, op 5 september 2012 had zij echter al een bijl gekocht en verstopt in de woning. Uit de verklaringen van de zonen van het slachtoffer blijkt dat verdachte het voornemen om hem te doden kennelijk al eerder jegens het slachtoffer had geuit en dat hij daarom verschillende maatregelen had getroffen. Het treffen van maatregelen door het slachtoffer wordt bevestigd door het aantreffen van de verstopte messen en de informatie van de IND. Anders dan de raadsman heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het slachtoffer zijn informatie aan de IND heeft aangedikt, aangezien hij niet enkel meldt te vrezen voor zijn eigen leven, maar ook zijn ongerustheid uit over hetgeen verdachte zichzelf aan zou kunnen doen. Dit laatste wordt ook bevestigd door verdachte zelf daar waar zij verklaard heeft dat ze samen met [voornaam slachtoffer] wilde doodgaan en dat ze daartoe de bijl had gekocht bij de Praxis. Dat verdachte haar eigen dood verbindt met de dood van het slachtoffer, haar echtgenoot, maakt het overigens niet aannemelijk dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld.
Uit haar verklaringen ten aanzien van de voorbedachte raad blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op enig moment (twee à drie dagen vóór de aanschaf van de bijl op 5 september 2012, op 10 september 2012 ’s avonds dan wel eerder diezelfde dag) reeds het plan had opgevat om het slachtoffer met de bijl te doden, welk besluit ze vervolgens ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd door, nadat het slachtoffer haar die bewuste nacht van 10 op 11 september 2012 in bed afwees, op te staan en de door haar eerder aangeschafte en verborgen bijl ter hand te nemen en daarmee op het slachtoffer, dat eerder in slaap was gevallen en net wakker werd, in te slaan.
De rechtbank overweegt voorts dat hoewel verdachte niet consistent heeft verklaard ten aanzien van de voorbedachte raad (met name ten aanzien van het tijdstip waarop zij heeft besloten haar echtgenoot te doden), haar verklaring op meerdere andere punten wel aansluit bij de feiten en omstandigheden, zoals die uit de processtukken blijken.
Tevens is de rechtbank van oordeel dat haar wisselende verklaringen met betrekking tot de aanschaf en het gebruik van de bijl, zijn ingegeven door haar proceshouding. Immers, uit haar verklaring van 25 september 2012, inhoudende dat wanneer zij zou bevestigen dat zij de bijl zelf had gekocht, dat zou betekenen dat zij al eerder plannen had om het slachtoffer te doden, leidt de rechtbank af dat zij zich tijdens de verhoren bewust was van de strafrechtelijke consequenties van haar verklaring. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet zonder meer gesteld kan worden dat de verklaringen dermate inconsistent zijn dat deze onbetrouwbaar moeten worden geacht. Voorts heeft de rechtbank – zoals hiervoor reeds overwogen – zich niet enkel gebaseerd op de verklaringen van verdachte, maar ook op feiten en omstandigheden voortvloeiend uit andere bewijsmiddelen.
Het verweer van de verdediging ten aanzien van de inconsistentie en onbetrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte en het gebrek aan steunbewijs, wordt dan ook verworpen.
Gelet op hetgeen hiervoor door de rechtbank is overwogen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het plan had opgevat om [slachtoffer] met een bijl om het leven te brengen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in het tijdsverloop tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan heeft kunnen nadenken over en zich rekenschap heeft kunnen geven van de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad. Verdachte wilde het slachtoffer dood, heeft daartoe een bijl aangeschaft en verstopt en heeft vervolgens ook daadwerkelijk haar doel verwezenlijkt. Hieruit blijkt dat verdachte haar echtgenoot opzettelijk en met voorbedachte raad van zijn leven heeft beroofd.
Het is voor de rechtbank onduidelijk gebleven welk motief verdachte had om het slachtoffer te vermoorden. Gelet op de inhoud van het dossier zijn er verschillende scenario's denkbaar. Het niet met zekerheid kunnen zeggen wat het motief is geweest van verdachte staat echter een bewezenverklaring van de voorbedachte raad niet in de weg.
De rechtbank acht dan ook het primair ten laste gelegde, moord, wettig en overtuigend bewezen.