De rechtbank Limburg behandelde het verzoek van een vrouw die vergoeding vorderde wegens ten onrechte doorgebrachte verzekering en voorlopige hechtenis. Zij vorderde een forfaitaire vergoeding voor immateriële schade, vergoeding van gederfde uitkeringsinkomsten en kosten voor het indienen van het verzoekschrift.
De rechtbank oordeelde dat de normbedragen voor vergoeding van schade wegens ten onrechte doorgebrachte voorlopige hechtenis uitsluitend immateriële schade betreffen. Voor daadwerkelijk geleden vermogensschade, zoals gederfde inkomsten, kan een aanvullende vergoeding worden toegekend mits deze goed onderbouwd is. De verzoekster kon aanspraak maken op vergoeding van gederfde inkomsten, verminderd met besparingen op levensonderhoud volgens NIBUD-normen.
De rechtbank wees de verzoekster een bedrag van € 1.662,70 toe voor gederfde inkomsten en een bedrag van € 4.430,00 voor immateriële schade. Daarnaast werd een vergoeding van € 820,00 toegekend voor de kosten van het verzoekschrift. Het verzoek tot verhoging van de vergoeding voor gederfde inkomsten werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
De beschikking werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Limburg op 8 juli 2014. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.