Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15,
- de twee aktes wijziging van eis van de zijde van Canon, alsmede de overgelegde producties 16 tot en met 24,
- de conclusie van antwoord van de UM met negen producties,
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging, alsmede de door Ricoh overgelegde vijf producties,
- de mondelinge behandeling op 6 oktober 2014, waar de voorzieningenrechter bij mondeling vonnis in het incident de tussenkomst van Ricoh heeft toegestaan omdat partijen zich daar niet tegen hebben verzet en overigens voldaan is aan het criterium van artikel 217 Rv Pro,
- de pleitnota’s van Canon, UM en Ricoh.
2.De feiten
- de UM te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht aan Ricoh;
- de UM te gebieden over te gaan tot intrekking van de voorlopige gunningsbeslissing van 1 oktober 2014;
- de UM te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis;
- in geval van afwijzing van de vorderingen het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat Canon de zaak in spoedappel aan het Gerechtshof kan voorleggen zonder dat de opdracht in de tussentijd definitief aan Ricoh wordt gegund en er een voldongen feit ontstaat;
- te bepalen dat de UM bij overtreding van de hiervoor genoemde veroordelingen een dwangsom verbeurt van € 100.000,00 per overtreding (dan wel een door de voorzieningenrechter passend geacht bedrag) en tevens voor elk dag(deel) dat de overtreding voortduurt.