ECLI:NL:RBLIM:2014:9099

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 oktober 2014
Publicatiedatum
27 oktober 2014
Zaaknummer
03/700422-13
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38s Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ISD-maatregel wegens ontbreken behandelplan en onduidelijke behandelprognose

De rechtbank Limburg heeft op 24 oktober 2014 een beschikking gegeven in de zaak tegen verdachte, waarbij eerder op 25 oktober 2013 een ISD-maatregel van twee jaar was opgelegd. Volgens artikel 38s Sr moest na negen maanden een beoordeling plaatsvinden over de voortzetting van de maatregel.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat elf maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis nog steeds geen concreet behandelplan voor verdachte aanwezig was. Uit rapportages bleek dat verdachte lijdt aan ernstige persoonlijkheidsproblematiek en een licht verstandelijke beperking, waarvoor een langdurige gespecialiseerde behandeling noodzakelijk is. De wachttijden voor de juiste behandelsetting zijn echter onduidelijk en kunnen lang zijn.

De rechtbank concludeerde dat ondanks het hoge recidiverisico en het belang van maatschappelijke beveiliging, het ontbreken van een adequaat behandelplan en de onmogelijkheid om binnen de resterende termijn van de maatregel een zinvolle behandeling te bieden, tot beëindiging van de ISD-maatregel moet leiden. Dit oordeel is gebaseerd op het beslissingskader van het Gerechtshof Arnhem (ECLI:NL:GHARN:2010:BN2490).

De rechtbank achtte het niet verwijtbaar aan verdachte dat de behandeling niet tot stand kwam en vond dat voortzetting van de maatregel zonder adequate behandeling niet aangewezen is. Daarom werd de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel met onmiddellijke ingang beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de ISD-maatregel wegens het ontbreken van een behandelplan en onduidelijke behandelprognose binnen de resterende termijn.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/700422-13
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer voor strafzaken, gegeven naar aanleiding van de in het vonnis van deze rechtbank van 25 oktober 2013 opgenomen bepaling ingevolge artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omtrent de noodzaak van de voorzetting van de in dat vonnis opgelegde plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de maatregel) aan

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard,
hierna te noemen: [verdachte].
De procesgang
De rechtbank heeft bij vonnis van 25 oktober 2013 in de zaak met het parketnummer 03/700422-13 aan [verdachte] de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd voor de duur van twee jaren, met de bepaling dat negen maanden na aanvang van de maatregel een beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van voornoemde maatregel zal plaatsvinden.
In raadkamer zijn gehoord [verdachte], diens raadsman mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht, en de officier van justitie. Voorts is als deskundige gehoord de heer
R.L.H. Wasserman, casemanager ISD in PI De Geerhorst.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoofddoel van oplegging van de maatregel gelegen is in de bescherming van de maatschappij en dat tevens wordt ingezet op behandeling, voor zover dit mogelijk is. Aangezien nog een periode van een jaar resteert, is het niet wenselijk dat [verdachte] terug de maatschappij in gaat zonder enige vorm van behandeling.
De raadsman heeft bepleit dat de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de opgelegde ISD-maatregel met onmiddellijke ingang dient te worden beëindigd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sedert de laatste beslissing van de rechtbank van 6 augustus 2014 geen enkele vooruitgang is geboekt. Nu tot op heden enkel een diagnose is gesteld, maar geen concreet behandelplan is opgesteld, blijft onduidelijk in welke vorm van behandeling kan worden voorzien. Voorts is onduidelijk binnen welke periode met een vorm van behandeling kan worden gestart en of deze behandeling dan binnen de resterende tijd kan worden afgesloten.
De beoordeling
De rechtbank heeft bij beslissing van 6 augustus 2014 beslist dat binnen twee maanden opnieuw een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient plaats te vinden. De rechtbank heeft daarbij een termijn van uiterlijk zes weken na die uitspraak bepaald, waarbinnen het openbaar ministerie de rechtbank over voornoemde noodzaak schriftelijk dient te berichten, in de vorm van de verstrekking van een behandelplan en de resultaten van de verdiepingsdiagnostiek.
Bij brief van 16 september 2014 heeft drs. M. van Dijk, behandelcoördinator, gerapporteerd dat de conclusie van het psychologisch onderzoek is dat [verdachte] lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsproblematiek in combinatie met een licht verstandelijke beperking. Dit veroorzaakt voor hem veel lijdensdruk in de vorm van eetproblemen en piekeren.
Betreffende de aard van de persoonlijkheidsproblematiek voldoet [verdachte] aan zowel een anti-sociale als een borderline persoonlijkheidsstoornis. [verdachte] is in het verleden reeds gediagnosticeerd met ADHD en gebruikt hier medicatie voor. Deze diagnose heeft Van Dijk ook overgenomen.
Qua behandeling zal [verdachte] het meest gebaat zijn bij een behandeling gericht op de borderline persoonlijkheidsproblematiek, waarbij rekening wordt gehouden met zijn verstandelijke beperking in een hiervoor gespecialiseerde behandelsetting. Dit kan zowel plaatsvinden in een klinische setting als in een begeleide woonvorm met dagbehandeling. Van Dijk benadrukt dat het om een langdurige behandeling zal gaan. Het kan twee tot drie maanden duren voordat er een indicatiestelling is voor de meest geëigende setting. Pas dan kan [verdachte] op de wachtlijst worden geplaatst. Er kan geen prognose worden gegeven over de wachttijden voor een geïndiceerde setting.
Van Dijk heeft voorgesteld de overbruggingsperiode in te vullen met de aanvang van een behandeling in het PPC Haaglanden. [verdachte] is hier in eerste instantie mee akkoord gegaan, maar bij e- mailbericht van 7 oktober 2014 heeft Van Dijk aan de heer Wasserman laten weten dat [verdachte] geen behandeling in het PPC wil en dat een indicatiestellingsaanvraag bij IFZ is ingediend.
Ter terechtzitting is de heer Wasserman als deskundige gehoord. Hij heeft toegelicht dat PPC Haaglanden de diagnosefase heeft afgerond en dat het nu zaak is [verdachte] te plaatsen in een voor de diagnose passende setting nadat een indicatiestelling is verkregen. [verdachte] heeft aangegeven dat hij terug wil naar deze regio. Hij is geplaatst in PI De Geerhorst. Het kan twee tot drie maanden duren voordat een indicatiestelling ten aanzien van [verdachte] kan worden afgegeven. Daarna kan hij pas op de wachtlijst worden geplaatst.
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn raadsman bezwaar heeft gemaakt tegen de plaatsing in De Geerhorst, omdat [verdachte] daar in het verleden negatieve ervaringen heeft opgedaan en vreest voor herhaling. [verdachte] heeft een aantal bladzijden (1, 11 en 12) van het diagnostiekrapport van PPC Haaglanden van 8 september 2014 overgelegd. [verdachte] heeft aangegeven dat het allemaal veel te lang duurt en dat hij niet meer gemotiveerd is voor behandeling.
De rechtbank stelt vast dat de door [verdachte] overgelegde stukken deel uitmaken van een rapport dat niet in het bezit van de rechtbank is gesteld. De rechtbank acht het niet aanleveren van de voor deze behandeling noodzakelijke stukken zeer onzorgvuldig.
Voorts is na het verstrijken van een periode van elf maanden, geen behandelplan voorhanden, op grond waarvan inzichtelijk wordt welke behandeling en welke behandelingsduur te verwachten zijn. Wel is duidelijk geworden dat het om een langdurige behandeling zal gaan en dat geen enkele prognose kan worden gegeven over de wachttijd voor plaatsing in de juiste behandelsetting. Daarmee is voorbijgegaan aan het belang van [verdachte] bij een spoedige tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel in die zin dat daaraan ook een adequate behandeling is gekoppeld.
Dat [verdachte] wisselvallig is geweest in de mate van bereidheid aan een behandeling in de overbruggingsfase mee te werken, is waarschijnlijk mede te verklaren op basis van zijn ziektebeeld en persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank gaat er vanuit dat het niet aan [verdachte] te wijten is dat een op behandeling gerichte invulling van de maatregel is mislukt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het uitblijven van concreet zicht op een adequate behandeling, die noodzakelijk is om het recidiverisico te verminderen, buiten de macht van [verdachte] ligt.
De rechtbank hanteert voor de beoordeling het beslissingskader dat is geformuleerd in het arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 26 juli 2010 (ECLI:NL:GHARN:2010:BN2490). Dit moet gezien de wetstekst en de wetsgeschiedenis worden toegepast in het kader van de beoordeling of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders noodzakelijk is. Volgens dit beslissingskader dient eerst te worden vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publieke domein. Vervolgens moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt. Is een dergelijke omstandigheid aanwezig, dan kan dit – zoals in de genoemde zaak bij het Gerechtshof Arnhem het geval was – ertoe leiden dat voortzetting van de ISD-maatregel moet worden beëindigd, ofschoon de beoogde strekking van de maatregel – te weten beveiliging van de maatschappij – vordert dat de tenuitvoerlegging van de maatregel wordt voortgezet.
In de voorliggende zaak kan worden gesteld dat de beoogde strekking van de maatregel – te weten beveiliging van de maatschappij – vordert dat de tenuitvoerlegging van de maatregel wordt voortgezet. Het recidivegevaar wordt namelijk nog steeds als onverminderd hoog ingeschat bij [verdachte]. Echter, eveneens staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat gedurende de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel te weinig is gedaan om te komen tot een adequate behandeling van [verdachte] die daartoe (oorspronkelijk) gemotiveerd was. De rechtbank gaat er vanuit dat het niet aan betrokkene te wijten is dat een op behandeling gerichte invulling van de maatregel tot op heden is mislukt. Nu er na elf maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis geen behandelplan ligt, een langdurige behandeling nodig wordt geacht en geen prognose kan worden gegeven over de wachttijden voor de juiste behandelsetting, gaat de rechtbank er vanuit dat geen adequate behandeling meer kan worden geboden binnen de resterende termijn van de ISD-maatregel. De rechtbank acht om die reden voortzetting van de maatregel niet aangewezen, zodat tot beëindiging ervan moet worden overgegaan.

DE BESLISSING

De rechtbank beëindigt de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van
25 oktober 2013 van deze rechtbank opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders met ingang van heden.
Aldus gegeven door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. J.A.A.C. Claessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Eroktay, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 24 oktober 2014.
Mr. J.A.A.C. Claessen en mr. L. Eroktay zijn niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.