In deze kort geding procedure vordert eiser ontruiming van een recreatiewoning die door onderbewindgestelden permanent wordt bewoond, terwijl dit in strijd is met het bestemmingsplan. De huurovereenkomst was aanvankelijk voor korte duur, maar door stilzwijgende verlenging ontstond een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De kantonrechter oordeelt echter dat het beroep op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat de verhuurder en huurder bij het aangaan van de overeenkomst de tijdelijke aard van het gebruik voor ogen hadden.
De gemeente had een last onder dwangsom opgelegd om het permanente gebruik te staken. De bewindvoerder, die formeel partij is in de procedure, werd veroordeeld om binnen drie dagen na betekening de woning te ontruimen en te verlaten. De gevorderde dwangsom en machtiging tot ontruiming met politie werden afgewezen wegens gebrek aan belang en omdat de wet reeds voorziet in dwangmiddelen.
De kantonrechter weegt mee dat de huurder in een noodsituatie verkeerde bij het aangaan van de overeenkomst, maar dat dit geen reden is om de verhuurder te beletten de ontruiming te vorderen. Ook het belang van minderjarige kinderen weegt niet zwaarder dan het recht van de verhuurder op ontruiming. De kosten van de procedure worden aan de zijde van de bewindvoerder opgelegd.