De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die ervan werd verdacht zijn twee maanden oude dochter meermalen hard door elkaar te hebben geschud, waardoor zij ernstig hersenletsel opliep. De officier van justitie achtte bewezen dat het letsel door onvoorzichtig gedrag van verdachte was veroorzaakt, maar niet dat er sprake was van opzet op doodslag of zwaar lichamelijk letsel. De verdediging voerde aan dat verdachte uit paniek handelde en vanwege zijn verstandelijke beperking en beperkte copingvaardigheden niet toerekeningsvatbaar was.
Medisch forensisch onderzoek toonde aan dat het letsel zeer waarschijnlijk niet-accidenteel was en veroorzaakt werd door een heftig schudincident. De verdachte had tegen afspraken in alleen voor de baby gezorgd en in paniek gehandeld door haar hard heen en weer te schudden om haar weer aan het ademen te krijgen. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig had gedragen en daardoor het letsel had veroorzaakt, maar sprak hem vrij van opzet en poging tot doodslag.
De rechtbank nam het advies van een deskundige over dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar was vanwege zijn lichte verstandelijke beperking en emotionele achterstand. Gelet op de ernst van het letsel, de omstandigheden waaronder het gebeurde en de persoon van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte een training volgt gericht op het omgaan met stress en frustraties.
De straf houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die nu onder 24-uurs begeleiding verblijft en zijn kinderen regelmatig bezoekt. De rechtbank gaf de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden.