Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
en
verder te noemen: de vrouw,
ten tijde van de indiening van het verzoekschrift wonend te [woonplaats],
thans verblijvend in [verblijfplaats] ([land]),
1.Het verloop van de procedure
- de brief van 25 februari 2015 van de raad;
- de brief van 8 juni 2015 van de advocaat van de man en de vrouw;
- de brief van 3 juli 2015, met producties, van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente ‘s-Gravenhage.
2.De feiten
In verband daarmee is bepaald dat ten behoeve van het kind een Amerikaans paspoort zal worden afgegeven op naam van [naam bij adoptie]’, de naam die het kind bij de adoptie zal krijgen. Verder is bepaald dat het betreffende gerecht de jurisdictie over het kind behoudt totdat de adoptie is uitgesproken.
De man en de vrouw hebben, naar de rechtbank begrijpt, verzocht dat de rechtbank:
- primair: zal overgaan tot het uitspreken van de adoptie naar Nederlands recht van voormeld kind door de man en de vrouw en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
’s-Gravenhage en de gemeente Maastricht zal gelasten aan de daarvoor in aanmerking komende akte een latere vermelding betreffende de adoptie toe te voegen;
subsidiair: de man en de vrouw zal belasten met het ouderlijk gezag over het kind;
De onderhavige zaak heeft onmiskenbaar een internationaal karakter. De rechtbank dient daarom eerst ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter (in internationale zin) bevoegdheid toekomt van het verzoek kennis te nemen. Nu de man en de vrouw ten tijde van de indiening van het onderhavige verzoekschrift in Nederland woonplaats hadden, komt aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bevoegdheid toe.
De man en de vrouw hebben verzocht de adoptie van het kind naar Nederlands recht uit te spreken. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 10:2 BW Pro de regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve worden toegepast. Gelet daarop dient de rechter eerst, eveneens ambtshalve, te toetsen of de in de VS bij beslissing van 6 maart 2014 van het daartoe bevoegde gerecht uitgesproken adoptie van het kind in Nederland van rechtswege wordt erkend of voldoet aan de voorwaarden voor erkenning, hetzij op grond van het HAV1993, hetzij, als dat Verdrag niet van toepassing is, op grond van artikel 10:108 BW Pro of artikel 10:109 BW Pro. Indien sprake is van een voor erkenning vatbare buitenlandse adoptiebeslissing, komt de rechtbank niet meer toe aan het verzoek om de adoptie naar Nederlands recht uit te spreken.
Vast staat dat alleen de man beginseltoestemming heeft verzocht en verkregen. In artikel 2 van Pro de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (hierna: Wobka) is bepaald dat de opneming van een buitenlands kind met het oog op adoptie uitsluitend is toegestaan, indien voorafgaande beginseltoestemming is verkregen. Nu de vrouw voorafgaand aan de adoptie geen beginseltoestemming heeft verkregen, is ten aanzien van haar niet voldaan aan de voorwaarden voor een eventuele erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing. Daarom zal de rechtbank uitsluitend ten aanzien van de man beoordelen of de buitenlandse adoptiebeslissing in Nederland van rechtswege wordt erkend of voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland.
Op grond van artikel 41 HAV1993 is het Verdrag steeds van toepassing wanneer op grond van artikel 14 HAV1993 een aanvraag is ontvangen nadat het Verdrag in de Staat van opvang en de Staat van herkomst in werking is getreden. Dat betekent, mede gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 1, en artikel 5 van Pro de Uitvoeringswet op het HAV1993 dat dat Verdrag van toepassing is, indien het verzoek van de aspirant-adoptiefouder(s) om beginseltoestemming als bedoeld in de Wobka door de Minister van Veiligheid en Justitie is ontvangen, nadat het HAV1993 in de Staat van opvang en de Staat van herkomst in werking is getreden.
Uit de besluiten van 5 juni 2013 en 18 juli 2013 van de Minister van Veiligheid en Justitie, waarbij aan de man beginseltoestemming is verleend, blijkt dat zijn verzoek dateert van
28 februari 2008. Nu het HAV1993 voor Nederland in werking is getreden op 1 oktober 1998 en voor de VS pas op 1 april 2008 is het HAV1993 niet van toepassing op de erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing ten aanzien van de man.
Daarmee ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de buitenlandse adoptiebeslissing voor erkenning in aanmerking komt op grond van artikel 10:108 BW Pro of artikel 10:109 BW Pro.
Van belang is in dat verband waar de man en het kind hun gewone verblijfplaats hadden, zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak. Uit de stukken blijkt dat de man op voormelde tijdstippen zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Het kind had ten tijde van het verzoek tot adoptie zijn gewone verblijfplaats in de VS. Gesteld is door de man en de vrouw dat het kind ten tijde van de adoptie-uitspraak zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Voor de beoordeling van de vraag waar het kind zijn gewone verblijfplaats had ten tijde van de adoptie-uitspraak acht de rechtbank het navolgende van belang. Aan de adoptiebeslissing gaat in de VS een proefperiode vooraf. Het kind wordt, in afwachting van de adoptie, voorlopig aan de aspirant-adoptiefouders toevertrouwd en zij mogen het kind, in afwachting van de adoptie, meenemen naar Nederland, maar het betreffende gerecht in de VS behoudt de jurisdictie over het kind totdat de adoptie is uitgesproken. Omdat dat gerecht gedurende de proefperiode de jurisdictie ten aanzien van het kind behoudt, kan dat gerecht verlangen dat de man en de vrouw met het kind terugkeren naar de VS. Uit de beslissing van [2013] van het betreffende gerecht blijkt dat de man en de vrouw hebben toegezegd dat zij in voorkomend geval met het kind naar de VS zullen terugkeren. Gezien het vorenstaande dient ervan te worden uitgegaan dat het kind in de proefperiode, die aan de adoptie-uitspraak voorafgaat, zijn gewone verblijfplaats in de VS heeft behouden. Mitsdien moet worden geoordeeld dat het kind ten tijde van de adoptie-uitspraak zijn gewone verblijfplaats in de VS had.
Het vorenstaande leidt ertoe dat artikel 10:109 BW Pro in deze procedure van toepassing is.
Op grond van artikel 10:109, lid 1, BW wordt een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, erkend indien:
lid 1, BW genoemde voorwaarden voor erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing is voldaan. Op grond van artikel 10:109, lid 2, BW is de procedure van artikel 1:26 BW Pro van toepassing. Die procedure voorziet erin dat de rechtbank op verzoek van degene die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft een verklaring voor recht kan afgeven. Weliswaar heeft de man niet om een verklaring voor recht als bedoeld in artikel 1:26 BW Pro verzocht maar vanwege het zwaarwegende belang van de man en het kind bij de erkenning van de adoptie zal de rechtbank daartoe ambtshalve overgaan.
6 maart 2014 ook geen persoonsgegevens van de oorspronkelijke ouders zijn vermeld.
Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat de man en de vrouw niet in staat zijn om de oorspronkelijke geboorteakte van het kind, met daarin opgenomen de persoonsgegevens van de oorspronkelijke ouders, over te leggen.
geslachtsnaam : [geslachtsnaam]
voornaam : [voornamen]
dag van geboorte : [2013]
plaats van geboorte : [geboorteplaats], Florida, Verenigde Staten van
Amerika
geslacht : F (vrouwelijk)
’s-Gravenhage de bevoegde ambtenaar voor het opmaken van een akte van inschrijving, die geldt als een akte van geboorte in de zin van artikel 1:19 BW Pro.
- het kind is op de dag van het eerste verzoek minderjarig;
- de vrouw is ten minste achttien jaren ouder dan het kind;
- in het kader van de in de VS uitgesproken adoptie hebben de oorspronkelijke ouders ingestemd met de adoptie van het kind door de vrouw en gelet daarop kan ervan worden uitgegaan dat de oorspronkelijke ouders het verzoek van de vrouw tot adoptie van het kind niet tegenspreken;
- de vrouw heeft, vanaf het moment dat zij en de man feitelijk gezamenlijk het kind verzorgen en opvoeden, het kind ten minste een jaar verzorgd en opgevoed;
- de oorspronkelijke ouders hebben niet langer het gezag over het kind en bovendien wordt bij het in kracht van gewijsde gaan van de onderhavige beschikking, voor zover betrekking hebbend op de erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing ten aanzien van de man, het gezag van de man als adoptiefouder over het kind erkend (artikel 10:110, lid 1, aanhef en onder b, BW).
5.De beslissing
geslachtsnaam : [geslachtsnaam]
voornaam : [voornamen]
dag van geboorte : [2013]
plaats van geboorte : [geboorteplaats], Florida, Verenigde Staten van
Amerika
geslacht : F (vrouwelijk)
- de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, zulks onder bijvoeging van een afschrift van de buitenlandse adoptiebeslissing van 6 maart 2014;
- de griffier van het centraal gezagsregister;
het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A.J. Rings-Martens, griffier op
22 december 2015