ECLI:NL:RBLIM:2015:3600
Rechtbank Limburg
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters rechtbank Limburg wegens gebrek aan objectieve vrees voor vooringenomenheid
In deze zaak heeft de advocaat van verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de meervoudige kamer voor de behandeling van jeugdstrafzaken van de rechtbank Limburg, bestaande uit drie rechters. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid en wantrouwen, mede ingegeven door eerdere incidenten en verstoorde relaties tussen de advocaat en enkele rechters.
De wrakingskamer heeft overwogen dat wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten of omstandigheden die objectief een vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Het verzoek richtte zich deels op een processuele beslissing omtrent artikel 46b Wet RO, welke geen grond voor wraking vormt tenzij sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid, hetgeen hier niet het geval was.
De advocaat stelde ook dat een van de rechters uit boosheid niet fatsoenlijk had gegroet, en verwees naar eerdere persoonlijke conflicten met een andere rechter. De wrakingskamer achtte deze gronden onvoldoende concreet en niet toereikend om onpartijdigheid aan te tasten.
De kamer concludeerde dat het gevoel van belemmering en censuur van de advocaat niet is terug te voeren op gedragingen van de rechters. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters van de rechtbank Limburg wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.