Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.Het onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
- is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;
- is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;
- is niet gebleken van het bestaan van omstandigheden, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan; de officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;
- is niet gebleken van het bestaan van gronden voor schorsing van de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De oplegging van straf en/of maatregel
- de schending van de redelijke termijn, zoals deze is voorzien in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), door beweerdelijk in april 2012 gepleegde feiten pas aan te brengen tegen een eerste terechtzitting van oktober 2014;
- bij gelegenheid van de behandeling door de rechtbank van verzoeken te bepalen dat de zaak is geëindigd, is namens het Openbaar Ministerie meerdere keren aangekondigd dat de zaak op korte termijn zou worden aangebracht zonder dat dit ook feitelijk gebeurde;
- de tegen de verdachte na 12 april 2012 uitgesproken straffen en het feit dat de bepalingen omtrent de samenloop van strafbare feiten (Wetboek van Strafrecht, eerste boek, titel VI) van toepassing zijn.
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert, zoals dat hierboven onder 5.2 is omschreven;
- verklaart de verdachte daardoor strafbaar;
een gevangenisstraf voor de duur van zes weken;
21 januari 2015.